Maandelijks archief: mei 2020

Deuteronomium 6

Dat nooit weer, dat is wat we vaak horen in deze dagen. Dat nooit weer. Nooit geen oorlog meer. Nooit geen dictatuur meer. Nooit meer een tijd waarin mensen omwille van hun ras, hun geaardheid of hun politieke opvattingen worden weggevoerd en vermoord. Nooit meer een tijd dat concentratiekampen bestaan. Dat steden worden platgebombardeerd. Nooit meer een tijd van angst en achterdocht.  Een tijd waarin de grootheidswaanzin van een enkeling miljoenen de dood in kan jagen. Dat nooit weer.

De komende week gedenken we 75 jaar vrijheid. We staan stil bij wat die vrijheid ons heeft gebracht, we staan stil bij de mensen die uit de tijd zijn gegaan in de strijd tegen de dictatuur. We gedenken. Maar gedenken is niet alleen achterom kijken en tevreden zijn over wat we tot vandaag hebben bereikt. 75 jaar vrede, vrijheid en welvaart. Alle ingrediënten om inderdaad tevreden te zijn.

Uit de Bijbel kennen we de verhalen hoe het volk Israël werd bevrijd uit de slavernij en door de woestijn trok naar het beloofde land. Ze trokken weg uit het land des doods, onderweg naar het beloofde land. En tijdens die tocht ontvangt het volk de tien woorden. Woorden die gegeven worden om gezegend en vruchtbaar te kunnen samenleven. Het zijn woorden die voor eeuwig met het volk meegaan. Om hen er constant aan herinneren waar ze vandaan komen. Uit de slavernij en de onderdrukking. Het moet hen er aan herinneren dat ze bevrijd zijn door een God die een God is van vrede en vrijheid. Een God die hen wegleidt uit de chaos en de onderdrukking. Daar worden zij, door middel van deze tien woorden constant aan herinnert.

Het gaat echter niet alleen om het herinneren. Herinneren doen we als individu en de loop van de tijd kleurt ons herinneringen. De komende dagen gedenken wij en gedenken gaat een stap verder dan herinneren. Gedenken betekent namelijk dat de geschiedenis levend blijft van generatie op generatie. Dat is van het allergrootste belang. Als we vergeten waar we vandaan zijn gekomen en we kijken alleen nog maar naar waar we nu zijn dan zakt de herinnering weg in de verheerlijking van deze tijd. We hebben het kwaad toch overwonnen? Hoezo oorlog en dictatuur? Dat is iets uit een grijs verleden. We hebben een continent gebouwd vol welvaart en rijkdom. Nog een paar jaar en niemand van ons weet meer, uit eigen ervaring, wat het is om te leven in oorlog en dictatuur. 

In deze tijd van vrede en vrijheid en welvaart kan dit gegeven snel ontaarden in zelfgenoegzaamheid en relativering. Het vertroebelt ons zicht op wat er in de jaren 40-45 gebeurde en dat biedt mensen de gelegenheid om relativerende opmerkingen en vragen te stellen; was het allemaal zo slecht of zaten er ook goede kanten aan die dictatuur? Hebben sommige mensen het er niet zelf naar gemaakt, hadden ze niet beter hun mond kunnen houden? Relativering van zo iets groots en ingrijpends zet de deur op een kier naar recht praten wat krom was.

En tegelijkertijd onze tijd, vandaag, geeft geen enkele aanleiding tot zelfgenoegzaamheid. De werkelijkheid van vandaag is er een van sterke mannen die alle macht weer naar zich toe willen trekken. Van landen die de grenzen sluiten voor mensen, op hun tocht door de woestijn, gevlucht voor oorlog en onderdrukking. De werkelijkheid is dat wij kinderen laten verkommeren in uitzichtloze vluchtelingenkampen. De werkelijkheid is dat antisemitisme  nog steeds aanwezig is. Dat oordelen over kleur en geloof ons scheiden. Dat gelijkheid voor iedere sexuele voorkeur nog steeds geen gemeengoed is. Alleen al die werkelijkheid maakt het dringend noodzakelijk dat wij blijven gedenken.

Gedenken, hoe doen we dat?  Deuteronomium geeft daar bijna achteloos een antwoord op. Wanneer uw kinderen u later vragen, wat betekenen al die bepalingen en wetten en regels die de Heer onze God ons heeft voorgehouden?

Herinneren is veelal een individuele gebeurtenis, maar gedenken doe je door middel van dialoog, door middel van verhalen tussen de generaties. Het gesprek van vader op zoon, van moeder op dochter. Ieder jaar begint het Joodse Paasfeest met vier “waarom” vragen, gesteld door het jongste kind van de familie. Die vier vragen geven aanleiding om de oude verhalen ieder jaar weer opnieuw te vertellen. Tom Naastepad schreef het ooit zo op; “wij waren dienstknechten voor de Farao in Egypte. Maar de Heer heeft ons weggeleid uit dit land van de dood, met sterke hand. Hij gaf ons tekenen en wonderen, grote en kwade tegen Egypte, tegen de Farao en tegen het huis van de Farao. Dat deed Hij voor onze ogen. Hij deed ons uittrekken, vandaar, naar het beloofde land. Hij gebood ons om te blijven gedenken opdat het ons en de wereld zal gaan naar gerechtigheid, als wij bewaren al deze woorden”.  

Woorden waarin zoveel gezegd wordt als; tot vandaag ben ik jullie toekomst, mijn naam is hartstocht voor gerechtigheid. Ik ben een God van vrede en vrijheid. Ik heb jullie losgemaakt uit onderdrukking en chaos, niet om jullie vervolgens weer in die onderdrukking en chaos te laten vervallen. En daartoe zeg ik jullie; vertel elkaar de verhalen. Verhalen van toen die vandaag tot leven komen, die vandaag ons vernieuwen, keer op keer. Vrede en vrijheid is ons gegeven door deze Ene God, die ons uit angst en doem heeft weg getild. Vrijheid om met elkaar in vrijheid te leven. En om die vrijheid te bewaken, gedenken we, om te voorkomen dat we weer tot slaven worden gemaakt.

Psalm 46

Het is een hectische tijd, een verwarrende tijd. We willen graag dat dat datgene wat we nu meemaken zo snel mogelijk achter de rug is. We willen weer terug naar het normale. Maar we willen ook dat het virus dat de wereld op dit moment in de greep houdt zo snel mogelijk wordt ingedamd. En we verwachten van de overheid dat zij ons daarin beschermd. Dat zij maatregelen neemt die ten dienste staan van het volk en ervoor zorgen dat we niet nog verder in de ellende terecht komen. Maar het verwarrende is dat het volk begint te morren wanneer deze maatregelen te lang duren of te als te streng worden ervaren. En overal in de wereld zie je nu dat mensen beginnen te protesteren. Ook al zeggen alle deskundigen dat het toch het verstandigste is om deze maatregelen nog even vol te houden.

Maar uiteindelijk wil een mens terug naar de vrijheid. Hij wil zijn eigen leven kunnen invullen. Zelf bepalen waar en wanneer hij boodschappen doet. Waar hij naar toe gaat op vakantie. Zelf kunnen bepalen of hij wel of niet naar de kerk gaat. Ieder mens wil een ander mens kunnen ontmoeten, kunnen aanraken, kunnen knuffelen.

In deze verwarrende tijden wordt ons gevraagd om vertrouwen te hebben. Vertrouwen in de overheid, vertrouwen in deskundigen. Maar hoe langer het duurt, hoe minder vertrouwen  we lijken te hebben in hen en hoe meer we gaan vertrouwen op ons eigen onderbuik gevoel. De psalm die we lazen komt daar nog overheen,  die vraagt van ons mensen om ons vertrouwen te stellen op God

Deze psalm is beroemd geworden door Maarten Luther, de grote kerkhervormer. Hij, Maarten Luther, bivakkeerde in een vesting, een kasteel, de Wittenburg. Waar hij zich schuil hield voor zijn belagers. De macht van de kerk. Waar hij min of meer gevangen zat, beroofd van zijn vrijheid. Dat beeld van een vesting, van onaantastbaarheid, van een God als een burcht waar mensen bescherming kunnen vinden, waar mensen vertrouwen in kunnen hebben, dat beeld projecteerde hij op God. God als een vesting. Maar beeld het heeft daardoor ook iets ontoegankelijks. Wij in onze tijd verwachten van leiders empathie invoelingsvermogen. De zucht van toenmalig koningin Beatrix na de aanslag in Apeldoorn raakte ons allemaal diep. De zucht en de duivelse dilemma’s van Mark Rutte, zullen we niet snel vergeten. Wij verwachten in onze tijd dat leiders van een land begrijpen en voelen waarmee de mensen in het land worstelen. Dat de vragen en angsten van het volk, ook hun vragen en angsten zijn. Niet alleen in tijde van vreugde, maar juist in tijde van angst en onzekerheid.

Wat moeten wij met dat beeld vandaag dan nog van een onaantastbare god. Een god als vesting.  De mensheid is verstard onder angst en onzekerheid. Zouden wij geen angst kennen?  Overal over de wereld, ook in onze directe omgeving, kennen we de verhalen. En we kunnen het zien en horen, hoeveel angst en onzekerheid dat teweeg brengt. We zien het in de ogen van mensen en horen de machteloosheid in hun stem.

Wij willen graag een god zien die met ons meelijdt. Een god die met ons huilt. Die met ons lacht, die aan ons zijn kwetsbaarheid durft te tonen. En daarin een toevlucht is voor ons. Daar zit dan zijn kracht in. Niet in de afstandelijkheid. Die afstandelijkheid creëert eenzaamheid en een gevoel van alleen zijn.

Wat moeten we nu, vandaag in deze tijd met dit beeld van een God als vesting.  Af serveren? Als achterhaald beschouwen? Of is het beeld van God, de stem van de mens? Horen wij hier mensen aan het woord? Mensen in het verlangen naar sociale contacten. In het verlangen naar geborgenheid en aanraking. Mensen in het verlangen om weg te komen uit hun eenzaamheid. Mensen die woorden zoeken en beelden gebruiken die hen vertrouwen geven. En misschien zijn dat niet meer de beelden die wij vandaag nog zouden gebruiken, maar voor ieder mens geldt dat geborgenheid een diep gekoesterd verlangen is. Een verlangen waarin we God kunnen leren kennen, zoals deze in de Bijbel naar ons toekomt, als een god die met ons huilt, die er is op de plekken waar mensen vechten voor hun leven. Die er is in deze pandemie. Die nooit weg geweest is en ook nooit weg zal gaan.