Alle berichten van Gerhard Ter Beek

Over Gerhard Ter Beek

Ik ben Gerhard ter Beek. Geboren in 1957 in Hoensbroek. In de eerste plaats ben ik echtgenoot, vader en opa. In de tweede plaats ben ik directeur van het oecumenisch diaconaal-pastoraal centrum de Open Hof in Groningen en ben ik voorganger in de protestantse gemeente Grolloo-Schoonloo

Derde wereldoorlog

Met de regelmaat kom je mensen tegen die allerlei toekomst voorspellingen doen. Zeker zo rond de jaarwisseling duiken ze vaak op. Meestal ga ik daar schouderophalend aan voorbij, omdat deze voorspellingen toch vrijwel nooit werkelijkheid worden. Zeker wanneer voorspellingen verder in de toekomst liggen neem ik ze met een korrel zout. Hoe realistisch ze dan ook klinken, er zijn altijd wel factoren die maken dat de toekomst toch anders verloopt dan men voorspelde.

Afgelopen zaterdag had de krant die ik dagelijks lees een interview met zo iemand. In 2006 had hij, in een boek waar weinig aandacht aan was besteed, reeds voorspeld dat in 2020 de derde wereldoorlog zou uitbreken. Hij kon toen, in 2006, nog niet weten dat er in 2020 in Amerika een onberekenbare brokkenpiloot als Donald Trump tot president zou zijn gekozen. Maar dat was volgens hem ook niet belangrijk. Hij voorspelde namelijk niet dat in 2020 de derde wereldoorlog zou uitbreken, maar hij had dat berekend. Op basis van wetenschappelijke analyses. Op basis van een voorspelbare cyclus in de wereldgeschiedenis.  Hij is er van overtuigd dat zo’n cyclus er altijd precies hetzelfde uit ziet, maar ook altijd precies dezelfde kantelpunten kent.

Nu heb ik altijd geleerd dat de geschiedenis zich nooit volledig herhaald. Zo zijn er altijd andere factoren aan te wijzen die leiden tot een oorlog. De vorige twee wereldoorlogen paste niet in een bepaalde cyclus. Het had 1914 jaar geduurd voordat de eerste wereldoorlog ontstond. En we hebben geen 1914 jaar hoeven te wachten op de tweede wereldoorlog. En als de cyclus tussen de eerste en tweede wereldoorlog was aangehouden, dan hadden we ondertussen de vierde wereldoorlog al gehad. De aanleidingen waren ook totaal verschillend tussen beide wereldoorlogen. Kortom de theorie van deze meneer rammelt aan alle kanten.

Maar toch merkte ik dat het schuurde. Want net in de week hier aan voorafgaande had onze gekozen clown met zijn blonde pruik uit Amerika een onberekenbare aanval uitgevoerd op Iran. En we weten tot dit moment niet welke gevolgen deze aanval heeft. Er is ooit een wereldoorlog ontstaan naar aanleiding van een veel kleiner incident.

Terwijl ik het interview las dacht ik, los van dat de theorie van deze meneer aan alle kanten rammelt, zou het zomaar kunnen gebeuren dat er in 2020 wel een derde wereldoorlog uitbreekt. Niet op grond van een bepaalde cyclus, maar op grond van het feit dat er in de wereld steeds meer mannen regeren die dat bij voorkeur doen op basis van hun spierballen en op basis van wapen gekletter. En een ongeluk zit in een klein hoekje, zoals het neerschieten van een onschuldig passagiers vliegtuig boven Iran bewees.

Vindt u het gek dat ik toch een beetje bang werd? Want niemand wil toch oorlog?

De ster van Bethlehem

Je kunt veel van de Bijbel zeggen. En een van de dingen die je er ook van kunt zeggen is dat de Bijbel wel humor heeft, althans degene die verhalen hebben opgeschreven. Het is wel een subtiel soort humor die je moet zien of willen zien. Het is geen humor van de gulle lach. Het is een humor waarbij mensen op de hak worden genomen, zoals Wim Kan dat vroeger ook kon doen. Die humor zit vandaag ook verwerkt in het verhaal. 

Wat te denken van Herodes. Veruit de machtigste man in de regio, die bang wordt van een pasgeboren kind, en die angst krampachtig probeert te verbergen alleen maar omdat dat kind de titel “koning” krijgt opgeplakt. Je zou toch denken; “man waar maak je je druk om, het is nog maar een kind”, tegen de tijd dat het echt een bedreiging voor jouw gaat vormen, ben jij al lang met pensioen. Maar nee, als een echte cabaretier vergroot Mattheus de angst van Herodes verder uit, waardoor het lachwekkend wordt. Om hem vervolgens als een sukkel weg te zetten, die zich wel heel makkelijk en opzichtig om de tuin laat leiden door wijze koningen.

Maar naast de nodige humor zitten er ook in dit verhaal allemaal verwijzingen naar oude klassieke Romeinse en Egyptische mythes.  Mattheus en Lucas, de verhalenvertellers van het geboorteverhaal, kende die verhalen allemaal. En ze gebruikte ze om het verhaal van de geboorte van Jezus te vertellen. Met humor, met venijn en met omkering. De koningen uit het oosten, de ster van Bethlehem, deze beelden zijn allemaal afkomstig uit die Romeinse en Egyptische mythes.

De koningen uit het oosten, zij volgde een ster om een “nieuwe koning” eer te bewijzen. Geen drie koningen uit het oosten, dat aantal hebben wij mensen er voor geplakt, maar dat getal vinden we in de Bijbel nergens terug. Zo vinden wij in de Bijbel ook nergens hun namen, Melchior, Caspar en Balthazar, terug. Die zijn ontsproten aan de menselijk fantasie.

In de verhalen over Romeinse Keizers en Egyptische farao’s werden de  “nieuwe machthebbers” niet bezocht, maar zij moesten als eerste op bezoek bij hun collega’s.  Om de hiërarchie te benadrukken. De leerling bezoekt de meester. Mar ook om je goede wil te tonen, je goede bedoelingen, je vredelievendheid. Een traditie die je vandaag ook nog terug ziet bij de Europese koningshuizen. Een nieuwe koning of koningin brengt altijd eerst een bezoek aan zijn of haar collega’s, voordat deze bij hen op bezoek komen.

Mattheus draait het om. Koningen, wijzen, magiërs, het is maar welke Bijbel je leest en welke titel erin genoemd wordt, in ieder geval belangrijke mensen, zij worden op pad gestuurd. Dus niet om te vereerd te worden, maar om te vereren. En dan niet een andere koning, maar een onschuldig kind, in een onooglijke stal. Mattheus maakt daarmee al die koningen, die zichzelf zo belangrijk vinden, behoorlijk belachelijk. Het levensbegin van dit kind mocht in niks lijken op dat van de keizers en farao’s, koningen, wijzen en magiërs. Vanaf het begin moest ook direct helder gemaakt worden hoe de verhoudingen lagen. Dat oude koningschap van macht,  status en hiërarchie dat had afgedaan, daarvoor in de plaats kwam het koningschap van dienstbaarheid en rechtvaardigheid. De koningen, op weg gestuurd, achter een ster aan, in het verhaal van Mattheus waren het beeld van dat oude koningschap.

Ieder jaar, rond deze tijd, verschijnen er in allerlei bladen weer populair astronomische artikelen  over de ster van Bethlehem. Of het nu een ster was geweest of een supernova of een komeet?  Een antwoord is nooit gevonden. Nogal wiedes lijkt mij. Want de ster is er op die manier nooit geweest. Al deze schrijvers en wetenschappers gaan er namelijk aan voorbij dat het verhaal van de koningen uit het oosten en de ster van Bethlehem, geen geschiedenisverhaal is. Het verhaal is een geloofsverhaal.

Mattheus gebruikt dat beeld van een ster  niet zomaar, omdat hij het misschien een mooi beeld vond. In de Romeinse mythische verhalen hebben sterren een voorspellende waarde. Nieuwe Romeinse keizers kregen een ster naar zich vernoemd. Dat symboliseerde namelijk hun macht zelfs tot ver voorbij onze aardse grenzen, tot diep in de kosmos. De ster symboliseerde ook de onsterfelijkheid van de keizer. Want aan iedere Romeinse keizer werd de status van goddelijkheid, van onsterfelijkheid toegedicht.

Mattheus maakt handig gebruik van dat, in die tijd, bekende beeld. Alleen hij geeft de ster geen naam, hij kent de ster geen macht toe. Bij Mattheus is het eerder een gidslicht. Een gidslicht dat boven een onooglijke stal, waar een vluchtelingenkind geboren werd, stil blijft staan. En dat geeft ook precies aan waar het op aan komt in het evangelie en in het leven van dit kind. Het zal in zijn leven niet gaan om paleizen, het zal in zijn leven niet draaien om koningen en machthebbers, maar het gaat bij hem om de mensen die geen huis hebben, die onderweg zijn, die verdoemd zijn en voor de samenleving mislukt. Het gaat om mensen die geen macht hebben en die nooit een straat, een gebouw, en zeker geen ster naar zich vernoemd krijgen. Het gaat om de mensen die zich inzetten voor mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Het gaat om de mensen die, tegen de stroom in, proberen de aarde bewoonbaar te houden. Die proberen hun kerk, hun dorp leefbaar te houden.

Het verhaal keert zich op deze manier tegen machthebbers die met wapengekletter hun spierballen laten rollen en daarmee de aarde dreigen mee te sleuren in een vernietigende oorlog.

Door koningen te gebruiken in dit verhaal en door die koningen terecht te laten komen in een onbeduidende stal bij een kind, ontlokt op z’n minst bij ons toch iets van een glimlach.  

Mattheus laat met dit verhaal namelijk zien dat al die zogenaamde koningen er feitelijk niet toe doen. Ze worden hun plaats gewezen. Ze mogen zichzelf wel belangrijk vinden, maar voor het evangelie zijn ze dat niet. Daarin wordt niet voor hen gebogen en geknield, maar zij moeten knielen en buigen. Want in het geboorteverhaal telt maar een ding en dat is het vluchtelingenkind. Die als een pelgrim mee zou reizen door de tijd. Niet op zoek naar een vage ster, maar op zoek naar het licht dat mensen, mensen maakt. En daaraan zijn onsterfelijkheid mag ontlenen.

In de stal

Waarom was Maria een maagd en moest Jezus geboren worden in een stal?

Omdat Jezus uit de Hoge moest komen. De vertellers van het evangelie waren Joodse vertellers, nakomelingen van de slaven uit Egypte. Vluchtelingenkinderen. En zij kende de mythes, de verhalen, van de Romeinse keizers en de Egyptische Farao’s. Deze werden, volgens die verhalen, allemaal geboren uit een maagd. Dat werd over hen verteld om te benadrukken hoe bijzonder zij waren en hoe belangrijk zij zouden zijn. Geboren worden uit een maagd, uit de hoge gekomen, zij krijgen daarmee een goddelijke status, waar een eenvoudige mensenhand niet bij past. Geboren uit de hoge, is de enige afkomst die past bij koningen, keizers en machthebbers.

Die Joodse vertellers wisten ook wel dat geboren worden uit een maagd een lichamelijke onmogelijkheid is. Dat zou pas echt een wonder zijn.  Maar zij gebruikte dat oude beeld van een maagd, geboren uit de hoge, om het belang van de mens Jezus te benadrukken. Maar daarmee hield ook wel iedere vergelijking op. De keizers en de farao’s werden, volgens de mythes, geboren in mooie grote paleizen, die paste bij hun status. Ze krijgen vanaf hun geboorte allerlei titels opgeplakt.

En uitgerekend Jezus krijgt deze titels ook: “Zoon van God” en “Vredevorst” wordt hij genoemd. Dat nu juist een hulploos kind, van zeer eenvoudige komaf, in een uithoek van het Romeinse Rijk, zo wordt genoemd, dat kunnen we niet anders opvatten dan een regelrechte provocatie aan dezelfde keizers en farao’s. Want deze titels waren voorbehouden aan deze machthebbers. Om hen daarmee definitief en voor de rest van hun leven een goddelijke status te geven.

Jezus werd geboren in een stal, onder een schamel dak.

Temidden van de warmte van dieren. Ver weg van machthebbers, keizers en farao’s, ver weg van de drukte van de menigte, de stroom van mensen.

Een vreemde plaats zo’n stal? Misschien wel. In ieder geval een mensonterende plaats, zo lijkt het. Want niemand wenst een kind toe dat deze wordt geboren in een stal.

Maar als we er wat langer over nadenken en we houden in gedachte de geboorteverhalen van de keizers en de farao’s, misschien ook weer niet. Dit kind was namelijk niet bedoeld om een keizer of een farao te worden. In tegendeel zelfs. Het beeld van de stal werd gebruikt om zijn nederigheid te tonen. Het was de bedoeling dat hij vanuit de marge, als een buitenstaander, zijn leven vorm ging geven. Uiteindelijk ook opgejaagd door keizers en farao’s. Veroordeeld, tot de dood, door machthebbers. Daarmee werd hij niet alleen geboren als outcast, maar zou hij dat zijn hele leven ook blijven.

Dat een hulploos kind, een kind is per definitie hulploos, wordt geboren in een stal is tegelijkertijd ook een aanklacht tegen de verdeling van arm en rijk, voor hem was geen plaats in de herberg. Het is een aanklacht tegen macht en machtsmisbruik. Het is een kritiek op machthebbers in de wereld. Het stelt vragen bij de macht. Het stelt vragen aan iedereen die zich in wat voor leidende en bestuurlijke positie dan ook bevindt: hoe gebruik jij de macht en de invloed die je gegeven is? Ten goede of ten kwade, voor jezelf of om te dienen? Voor de sterken of de zwakken? Daarmee is het kerstverhaal niet alleen een romantisch verhaal uit een ver verleden. Het is niet alleen een verhaal voor outcast en buitenstaanders, het is tegelijkertijd ook een verhaal voor ons. Het kerstverhaal houd ook ons, in deze nacht, een spiegel voor.

Met de geboorte van deze mens, op deze plaats, werd dus de toon voor zijn leven gezet. Hij zou de rest van zijn leven een buitenstaander blijven. Ver weg van een dikdoenerige wereld die vooral met zichzelf bezig zou zijn. Terwijl hij maar bleef wijzen op mensen voor wie een stal soms nog niets eens was weggelegd om geboren te worden. Voor wie een huis een onbereikbare luxe was. Die niet alleen onderweg waren voor een volkstelling, maar op zoek waren naar een nieuwe toekomst. Op de vlucht voor keizers en farao’s. Voor geweld en onderdrukking en uitbuiting.

Mensen die dagelijks de kwetsbaarheid van het leven aan den lijve ervaren. Die kwetsbaarheid komt ook weer terug in het beeld van de stal. De wind jaagt er door heen. Tegen de koude kun je je alleen maar beschermen door bij elkaar of bij de dieren warmte te zoeken. Het vocht uit de natte en koude vloer trekt op langs je benen. In een stal kun je je niet verschuilen achter rijkdom, weelde of goede sier. Daar is het wat het is. Niets wordt verbloemd, alles is direct duidelijk. Een mens leeft daar in zijn kwetsbaarheid. Daar in de marge van het leven. In de marge van de samenleving.  Het waren deze mensen, in de marge van de samenleving, die hij in zijn leven steeds weer zou opzoeken, deze mensen keek hij in de ogen, zoals hij, bij zijn geboorte, door god gezien werd.

Een mens wordt pas mens als hij door andere gezien wordt. Door ogen die hem aankijken en hem vragen; zie je mij? Ogen die hulp nodig hebben. De oudere in onze straat. De hulpbehoevende, de vluchtelingenkinderen. Wanneer zij door ons gezien worden, dan worden zij door God gezien.

Het levensbegin van dit kind mocht in niks lijken op keizers en farao’s. Vandaar die afwijkende plaats om de geboorte van dit kind te laten plaatsvinden. Niet in een huis, zeker niet in een paleis, maar in een stal, gelegd in een kribbe, gevuld met stro, gewikkeld in doeken, zoals kinderen in die tijd werden gebakerd. Arm, maar wel warm en beschut. Omringd door dieren, toegezongen door engelen, gevonden door herders, gezocht door wijzen, gezien door God.

Micha 4: 1 – 8

Dat wij in de aanloop naar het Kerstfeest Micha lezen past in een eeuwenoude traditie. Deze traditie grijpt terug zo ergens op de vijfde eeuw na Christus. Dan praten we over de periode dat het Kerstfeest van 25-26 december nog niet was doorgedrongen tot Jeruzalem. Epifanie, de periode vanaf 6 januari dat was in die tijd het Christusgeboorte feest. Het Christusgeboorte feest ademt de hoop en de verwachting op een nieuwe toekomst. En in die zin is het niet zo vreemd dat we Micha lezen. Want dezelfde sfeer vinden we ook daarin terug.

Micha was een boerenprofeet. Een jongeman nog, althans in de ogen van veel ouderen. Overdag, wanneer het kan werkt hij op het land en ’s avonds als de zon ondergaat of in de middag wanneer het te warm is om te werken vinden we Micha op het dorpsplein in de schaduw van de bomen. Want Micha is, in tegenstelling tot andere grote profeten, niet iemand van de grote stad. Niet iemand die zich ophoudt in de omgeving van paleizen. Integendeel, hij is een van ons. Uit het dorp, waar iedereen,  iedereen kent.

En op dat dorpsplein gaat hij in discussie met de ouderen van het dorp. Over de toestand in de wereld, over het verleden en de toekomst van het land. Micha is weliswaar jong, maar dom is hij zeker niet. Hij heeft, zoals alle jongetjes in het Jodendom vanaf zijn 12e jaar de bijbelschool gevolgd. En daarin geleerd om kritische vragen te stellen aan de Torah en aan de wereld. Het zijn soms felle discussies die zich daar afspelen, tussen jong en oud. Hij wordt in de Bijbel profeet genoemd. Maar zoals alle profeten in de Bijbel is Micha ook geen toekomstvoorspeller. Hij heeft geen glazen bol van God meegekregen. De agenda van God kent hij niet. Hij kijkt naar de wereld en ziet heel scherp wat er aan de hand is. Hij ziet onrecht, hij noemt bij name wat er, volgens hem, tegen Gods bedoelingen ingaat. En dan beschrijft hij wat er volgens hem zou gebeuren als dat zo doorgaat. En dan zijn er altijd wel mensen die vinden dat dat wel meevalt. Niet zo zwartgallig kijken, roepen ze dan. Dan ontstaat als vanzelf de discussie.

De discussie op deze zondagochtend gaat over het thema oorlog en vrede. Ogenschijnlijk heerst er rust en vrede in het dorp van Micha. Het dorp is na de laatste oorlog, tegen de Assyriers, opnieuw opgebouwd. Mooie grote huizen, rijkdom en welvaart heerst er. De kinderen spelen en gaan naar school. De wonden van de oorlog zijn min of meer geheeld. De onderlinge verhoudingen, met hen die de verkeerde kant kozen, zijn genormaliseerd. Ze moeten ook wel, want ze zijn voor een belangrijk deel op elkaar aangewezen in het dorp.

Toch is de discussie over oorlog en vrede vreemd. Deze lijkt namelijk verder weg dan ooit. En dus moet er een andere reden zijn waarom daar nu over gediscussieerd wordt. Die reden vinden we misschien niet zo zeer in een begrip als oorlog, maar eerder in een begrip als vrede.

Als Joden spreken over vrede gebruiken ze daarvoor het woord shalom. Wij vertalen dat altijd als; vrede en denken daarbij aan de afwezigheid van oorlog. Maar shalom dat is in het Joodse denken meer dan de afwezigheid van oorlog. Met shalom bedoelen de Joden een algehele toestand van welzijn, waarin mensen in vrede kunnen leven met zichzelf, met elkaar en met de omgeving. Als je iemand shalom wenst dan wens je hem ook geluk. Dan wens je hem al het goede toe.

Als ergens in de onderlinge verhoudingen iets niet klopt, als de goede orde is verstoord, als er mensen zijn die niet gelukkig zijn, als de economische verhoudingen niet kloppen, dan kan er geen sprake zijn van shalom. Dan is er geen vrede. Shalom gaat dus verder dan de vrede die wij vaak bedoelen. Het heeft te maken met het hele leven. Met al onze vezels. Met al ons gevoel. Het heeft, volgens de Joden alles te maken met God. Buiten God is er geen shalom.

Blijkbaar kloppen de onderlinge verhoudingen in het dorp van Micha niet. Misschien is er wel een te grote kloof tussen arm en rijk, tussen mannen en vrouwen. Een economische ongelijkheid tussen de verschillende sectoren; de boeren en de handelaren? Degene die moeten sappelen en de ander waar het geld binnenstroomt. Tussen de burger en de politicus? De eerste, de zwakste, die bij de minste of geringste overtreding wordt weggezet als fraudeur en de ander die onbeschaamd het geld mag opstrijken. De dakloosheid die dramatisch is toegenomen in het dorp. De woningnood die alleen maar groter wordt. De verpleegster en de onderwijzer die geen tijd hebben om extra aandacht te schenken aan degene die aan hun zorg zijn toevertrouwd. En dan ook nog de vreemdelingen die in het dorp zijn komen wonen. Op het eerste gezicht lijkt alles in orde, in het dorp van Micha. Maar als je even dieper graaft kom je grote sociale verschillen tegen.  Die grote sociale verschillen staan shalom in de weg.

Daar gaat dus de discussie over met Micha. Als je het hele boek aan een stuk door zou uitlezen dan kun je het indelen in hoor en wederhoor. Micha benoemt de pijnpunten en geeft zijn visie op hoe het anders zou moeten. Deze discussie is ook een generatie conflict. Micha, de jongere, discussieert vanuit idealisme, met zijn hart en het radicalisme. Daar ben je jong voor. De wereld moet anders. Verhoudingen moeten op hun kop. Micha discussieert niet zozeer vanuit het verlangen om gelijk te hebben, maar eerder vanuit het verlangen om de wereld te veranderen. De ander, de oudere, heeft het allemaal al een keer meegemaakt. Die discussieert vanuit het conservatisme. De soep wordt niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend. Eerder geneigd om te benadrukken hoe het vroeger was en wat misschien vroeger wel beter was dan vandaag de dag. Natuurlijk zien zij ook wel dat niet alles perfect is, maar vroeger was toch ook niet alles verkeerd! Uiteraard niet. Maar we kunnen ook niet in het verleden blijven hangen is het pleidooi van Micha. Er komt ook altijd een nieuwe toekomst aan, met nieuwe vragen en daar moeten we nieuwe antwoorden op vinden. En Micha is daar de verpersoonlijking van. Hij is de nieuwe generatie.

We zijn onderweg naar het Kerstfeest, het Christusgeboorte feest. Een feest van hoop, verwachting en verlangen. In die discussie van Micha, met zijn opponenten, zit dat ook opgesloten. Met het Christus geboortefeest, zou je kunnen zeggen, treedt ook een nieuwe generatie aan het licht.  En een nieuwe generatie geeft altijd nieuwe hoop. Nieuwe verwachtingen worden gewekt. Een nieuwe toekomst wordt geboren.

Waarom eet en drinkt U

Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars? In een “waarom” vraag zit altijd een aspect van verantwoording afleggen. Waarom? Op het moment dat wij die vraag stellen wordt de ander geacht een vorm van verantwoording af te leggen tegenover ons.  Jezus wordt geacht verantwoording af te leggen tegenover Farizeeën en Schriftgeleerden over het feit dat hij eet en drinkt met tollenaars en zondaars.

Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars? Ach die arme Levi. Hij wordt als tollenaar op een lijn gezet met zondaars. Terwijl hij misschien wel eerzaam zijn werk doet als tollenaar. Een tollenaar is een douanebeambte. Niet meer en niet minder. Hij doet zijn werk aan de grens en als er mensen voorbij komen houd hij ze aan. Ze moeten dan eerst de wettelijk vastgestelde tolheffing voldoen. Misschien blijft er af en toe iets extra’s over voor hemzelf, als hij kans zag om meer te innen dan wettelijk was toegestaan. Corruptie is nu eenmaal van alle tijden en alle landen.
Hij is een klein radertje in die grote Romeinse rekenmachine. Een klein radertje in dat grote wereldwijde Romeinse rijk van die tijd. Maar dat is precies wat hem wordt kwalijk genomen. Hij heult met de vijand. Hij is in de ogen van velen een landverrader. En met landverraders wisten wij en weten wij wel raad. Daar komt bin dat je als tollenaar heb je nu eenmaal een slechte naam en je komt er nooit meer vanaf.

Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars? Dat zijn de woorden van de Farizeeën en Schriftgeleerden. De woorden van degene die dit verhaal heeft opgeschreven, Lucas, die klinken anders: hij richtte een groot feestmaal aan waarop een groot aantal tollenaars en anderen, samen met Jezus aanwezig waren? Je zou kunnen zeggen het is een taalspelletje, het gaat maar om een woord, maar dat is het toch niet. Wanneer je iemand, zoals de Farizeeën en de Schriftgeleerden dat doen,  een zondaar noemt dan verhef je je zelf boven die ander. Je voelt jezelf moreel superieur aan die ander. Ik ben niet zoals zij, ik ben beter, in ieder geval reken ik mezelf blijkbaar niet tot de categorie zondaars.

Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars? Hoe dat nu met die tollenaar zit dat weten we wel. Maar die zondaars, wie zijn dat dan in de ogen van Farizeeën?  In welke categorie vallen ze eigenlijk dat ze zondaar genoemd worden; moordenaars, fraudeurs, uitbuiters, dictators, mensen die discrimineren, leugenaars, pedofielen, hoerenlopers, verkrachters, vreemdgaanders, godslasteraars? De Bijbel is heel duidelijk over het begrip zondaar.  Degene die het recht verkrachten, zij zijn degene die afdwalen van het rechte pad. Zij zijn de zondaars. Vanuit ons Christelijk denken en geloven kunnen we daar niet zoveel tegen inbrengen, lijkt mij. Met elkaar hebben we in de loop der tijd een rechtsstaat gemaakt, waarin in op democratische wijze in wetten is vastgelegd wat wel en niet getolereerd wordt. En dan spreken we recht op basis van die wetten en straffen we op basis van die wetten. Een vorm van menselijke beschaving. Natuurlijk gaat er daarnaast ook erg veel fout tussen mensen onderling. De Nederlandse democratische rechtstaat verbiedt het vreemdgaan niet en een hoerenloper is ook niet illegaal bezig. Maar ethisch is daar natuurlijk wel het nodige over te zeggen. Wat in ieder geval wel tegen de Bijbel ingaat is het idee dat we op basis van morele superioriteit mensen denken te kunnen verdelen in de categorie zondaars en niet-zondaars. Zondaar zijn is geen moralistisch begrip, alhoewel het door ons vaak wel zo gevoeld en gebruikt wordt. Het tekent eerder een tekort wat in ieder mens nou eenmaal aanwezig is.

Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars? Waarom zou je het niet doen, kan een gerechtvaardigde tegenvraag zijn? Is niet ieder mens geneigd tot zondigen? Onwetendheid, gebrek aan inzicht, neiging tot het kwade ten gunste van zichzelf, hoort dat niet bij de menselijkheid. Want alleen God is toch perfect? Als wij mensen perfect zouden zijn, en ons dus niet rekenen tot de categorie zondaars, dan zouden we dus goddelijk zijn. Maar het tragische van het menselijk leven is, is dat wij mensen met blindheid zijn geslagen. Struikelend, tastend, vallend, opstaand, fouten makend zo verloopt ons leven. Je zou misschien kunnen zeggen; de mens moet wel falen, want dat zit nu eenmaal in hem. Het afwijken van het rechte pad is nu eenmaal een menselijk gegeven. Vandaag gaat het goed en morgen gaat het mis. Vandaag sta je nog aan de goede kant van de streep en morgen sta je aan de verkeerde kant. Vandaag ben je nog een gerespecteerd burger en morgen ben je een dakloze of een crimineel tussen vier muren.

Hij richtte een feestmaal aan voor tollenaars en anderen. In deze formulering wordt niet de zonde benoemd. Hierin wordt het mens-zijn vooropgesteld. Kunnen we daarmee dan concluderen dat we maar wat aan kunnen rotzooien. Nee, want leidend is de rechtstaat en de menselijke ethiek. Maar wat er in deze formulier wel gebeurd is dat de persoon losgekoppeld wordt van de zonde. De leugen wordt veroordeeld, maar niet de leugenaar. Jezus schept geen afstand, maar hij zoekt de mensen, waarvan de samenleving, de gegoede burgerij, zegt dat ze zondaars zijn juist op, om dichterbij te komen. Zijn motief was daarbij niet dat hun zonden niet zo erg waren, maar dat hij hen als mens niet liet vallen, omdat hij hen liefhad.

Het is slechts de liefde, het is slechts de nabijheid die mensen kan doen veranderen. Die mensen zichzelf kan doen bekeren. Mensen veranderen niet door een afstandelijke morele superioriteit. Mensen veranderen niet door afwijzing en veroordeling. Maar mensen veranderen omdat ze merken dat je daadwerkelijk in hen geïnteresseerd bent, dat je bij hen betrokken bent. Wij zijn in onze huidige tijd, in onze kerk, niet zo van het begrip bekering. Maar toch is dat wel een vorm van bekering. Door voor nabijheid te kiezen geven we mensen de kans om, om te keren.

Hij at met tollenaars en anderen. Wat er aan tafel besproken is, geen idee. Dat behoort tot het ambtsgeheim van Jezus, de pastor en voorganger. Dat behoort tot de privacy van de gesprekspartners. Die hebben het recht om in beslotenheid hun levensverhaal te vertellen. De inhoud is voor de buitenwereld niet zo belangrijk. Wat in eerste instantie belangrijk is, is de ontmoeting, de erkenning van het mens-zijn, los van wat er in je leven misging. We kunnen het Bijbelgedeelte van vanmorgen samenvatten door te zeggen; vraag niet naar het waarom, maar luister en oordeel niet.