Alle berichten van Gerhard Ter Beek

Over Gerhard Ter Beek

Ik ben Gerhard ter Beek. Geboren in 1957 in Hoensbroek. In de eerste plaats ben ik echtgenoot, vader en opa. In de tweede plaats ben ik directeur van het oecumenisch diaconaal-pastoraal centrum de Open Hof in Groningen en ben ik voorganger in de protestantse gemeente Grolloo-Schoonloo

Thuiskomen

Wanneer je op vakantie bent, dan komt er vaak een moment, hoe leuk en mooi de vakantie ook is, dat je terug verlangt naar huis.  De hotel, het huisje, de caravan of de camper, het haalt het toch meestal niet bij dat thuis gevoel. Thuis is toch de plek waar je je veilig voelt, waar je je eigen spullen hebt, je eigen meubels, je eigen bed, je eigen muziek, ook je eigen omgeving. Thuis is de plek waar jij de sleutel van hebt. Waar jij bepaald wie er wel niet binnen mag. Waar je je vrienden en familie ontvangt. Thuis is de plek waar je stil kunt zijn, waar je kunt huilen en lachen. Thuis is de plek waar mogelijk een geliefde op je wacht.  Ja, de laatste zin van het nummer van Golden Earring, Back Home, slaat voor de meeste mensen de spijker op zijn kop “it’s always good to be back home”. Het is altijd goed om weer thuis te komen.

Aan de andere kant moet je soms ook even weg zijn, om daardoor dat gevoel van thuis zijn opnieuw te leren waarderen. Het is soms zo vanzelfsprekend dat je er niet eens meer bij stil staat dat je het ook kwijt zou kunnen raken. Dat gevoel overkwam veel mensen, toen een aantal maanden geleden de kerken van het een op het andere moment op slot gingen. Het was zo vanzelfsprekend dat het er was en dat je er naar toe kon. En ineens kon dat niet meer. Het “huis van God” zoals we kerk ook vaak noemen, “huis van gebed”, wordt het ook wel genoemd, bleef leeg en stil. Terwijl het voor veel mensen een plek is waar ze zich veilig voelen. Waar ze in betrekkelijk rust en stilte zich kunnen opladen voor de komende week of de hectiek van de afgelopen week even achter zich te laten. Waar ze zich in alle vrijheid kunnen bezighouden met hun geloof.  De vraag was niet meer of je naar de kerk ging, want je kon er niet meer naar toe.

Dat geeft tegelijkertijd een ander gevoel, dan dat je er zelf voor kiest om op vakantie te gaan, je huis even achter je te laten. Even weg van de dagelijkse beslommeringen die een huis ook met zich mee kan brengen. Nu werd er voor je gekozen. Hoe graag je het ook zou willen, je kon er niet meer naar toe. Dat is het gevoel dat mensen moeten hebben als ze noodgedwongen hun huis moeten verlaten omdat het niet meer veilig is door aardbevingsschade. Dat is het gevoel dat mensen moeten hebben als ze hun huis moeten achterlaten omdat het niet meer veilig is door oorlogsgeweld. Als je je huis moet verlaten omdat je er niet meer veilig bent door huiselijk geweld.

Natuurlijk kun je zeggen, ja maar dat is toch echt wat anders, dan dat je een tijdje niet meer naar de kerk kunt. Dat is natuurlijk ook waar. Het zijn onvergelijkbare grootheden. Het gaat er mij niet om, om het niet meer naar de kerk kunnen gelijk te stellen aan je huis kwijtraken door aardbevingen , oorlogen en huiselijk geweld. Het gaat mij een om het verlangen dat je kunt hebben naar een plek waar je veilig bent. Voor heel veel mensen is dat hun eigen huis, maar dat kan voor mensen ook de kerk zijn. Met beide hun eigen functie en hun eigen gevoel.

Als we luisteren naar Carole King en naar Simon and Garfunkel dan gaat het hen niet om het feit dat ze een mooi groot huis hebben, met een mooie tuin en met veel kamers. Het gaat misschien zelfs niet om het gebouw. Het gaat bij hen, in hun liederen, eerder om het gevoel dat er bij hoort. Thuiskomen is misschien eerder een gevoel, dan dat het letterlijk fysiek weer thuiskomen. Het bezit van een eigen huis, hoeft niet per definitie een gevoel van veiligheid en geborgenheid op te roepen. Carole King zingt letterlijk; “ik zal pas gelukkig zijn, als ik je weer zie, tot ik weer thuis ben en me goed voel”.

Nadenkend over dit thema van een huis hebben, van thuis komen en dat in verband brengen met de Bijbel, moeten we ons twee dingen goed realiseren. Het volk Israël had geen eigen thuis. Het was als volk, het grote deel van zijn bestaan, onderdrukt, verjaagd en onderweg. Dat gevoel van veiligheid, van thuis komen hebben ze amper gekend. En als we dat door trekken naar het nieuwe testament dan valt het onmiddellijk op dat er nergens sprake is van dat Jezus een eigen huis bezat. Hij trok met zijn vrienden door het land, van stad naar stad. Nergens is er sprake van dat hij naar huis gaat. Of het zou moeten zijn dat hij in de tempel is. Maar zelfs dat benoemd hij niet als zijn eigen huis. Wanneer zijn ouders hem, op 12-jarige leeftijd, op enig moment vragen waar hij was, dan reageert hij bijna verbaasd; waarom hebt u mij gezocht? U weet toch dat ik moet zijn in het huis van mijn Vader. De tempel is niet zijn thuis, maar is het huis van God. De tempel is de plek waar hij zich veilig voelt, waar hij leert, waar hij stil is. Waar iedereen welkom is. Waar niet alleen iedereen welkom is, maar wat het ook meteen maakt tot het huis van God. De tempel is alleen het huis van God als er mensen zijn. Als er geen mensen zijn om de liturgie vieren, om te zingen en stil te zijn, om te bidden en te leren, dan is het huis van God slechts een gebouw van hout en steen. Niet meer en niet minder. Jezus zoekt, als mens, in zijn leven steeds die tempel op, als huis van God en verder is hij overal en nergens. Te gast bij mensen die hem in huis nodigen, om te eten en te drinken en voor een goed gesprek.

Het huis waar wij ons thuis voelen, ons eigen thuis, de kerk, waarvan je kunt zeggen “it’s allways good tobe back home” is het huis, de plek, waar wij onze basis hebben van vertrek en altijd weer welkom zijn. Met onze kracht en onze zwakte, met onze kwetsbaarheid en onze liefde.

Heiligen en zondaars

In mijn vakantie heb ik het boek gelezen; “vrijspraak voor losers” van Nadia Bolz-Weber. Zij is een Amerikaanse theologe. Pastor in Denver van de Lutherse gemeenschap House for all Sinners and Saints. Een gemeenschap van yuppen en verslaafden. Nadia Bolz-Weber is een omstreden figuur. Voor conservatief Amerika is ze veel te links, maar voor links kerkelijk Amerika is ze teveel een Jesus-freak. Het is een getatoeëerde, grofgebekte pastor die zichzelf wegzet als een kerkelijke anti-held.

In het boek schetst zij een groot aantal portretten van mensen die op haar pad kwamen. En daarin schuwt zij de confrontatie niet. Ook niet met zichzelf. Ze vertelt het verhaal dat ze een identificatie figuur gevonden had in een vrouwelijke theologe, die ongeveer 100 jaar geleden de eerste Amerikaanse vrouwelijk bisschop was. Voor haar was deze vrouw een held. Tot het moment dat ze tot de ontdekking kwam dat deze vrouw ook een fanatiek aanhangster was van de Klu Klux Klan in Amerika en dus een die-hard racist. Haar eerste reactie was een afwijzing. Met deze vrouw wil ik niets meer te maken hebben. Totdat ze ontdekte dat dergelijke tegenstrijdigheden in veel mensen aanwezig zijn en dus ook in haar zelf. Dus wie was zij om deze vrouw te veroordelen en af te wijzen? Dat was het moment waarop zij jaarlijks, op de sterfdag van deze vrouwelijke bisschop, een kaars brandde bij haar in de kerk.

Terwijl ik dit boek las brandde in Nederland een discussie los rond racisme, met als middelpunt Johan Derksen.  Een omstreden figuur. Misschien ook wel een anti-held! De controverse ontstond over wat hij later zelf noemde “een slechte grap”. Johan Derksen is typisch een persoon waarom heen zich altijd wel een controverse ontwikkeld. Voor de een is hij een heilige, voor de ander een zondaar! Voor de een is hij een racist, voor de ander iemand die het vrije woord verdedigd. Voor weer iemand anders een ongevoelige weinig empathische, oude man.

Ik ben er van overtuigd dat hij geen racist is. Maar tegelijkertijd ben ik er ook van overtuigd dat ieder mens, wit en zwart, weleens een racistische gedachtegang tot zich heeft toegelaten. Ik ben er ook van overtuigd dat ieder mens weleens een slechte grap maakt, zelfs de mensen die er hun beroep van hebben gemaakt. En ik ben er ook van overtuigd dat de wereld indelen langs strikte scheidslijnen van heiligen en zondaars wel een erg gemakkelijke visie is, waarbij we onszelf graag bijvoorkeur indelen bij de groep heiligen.

Ik ga niet mee in deze gemakkelijke visie. Ik weiger Johan Derksen aan de schandpaal te nagelen. Ieder mens heeft het recht om een keer een slechte grap te maken, omdat in ieder mens een zondaar huist, maar zeker ook een heilige.

Exodus 3: 1 – 14

Traditie getrouw vieren we met Pinksteren de geboorte van de kerk. Veel mensen kwamen tot geloof. Zij spraken vol vuur over wat hen overkomen was. Maar we moeten ook maar even een misverstand uit de wereld helpen. Wanneer we de geboorte van de kerk vieren dan doelen we daarmee niet op de kerk zoals wij die vandaag de dag kennen. Die kende men in die tijd nog niet. Pinksteren is een Joods verhaal. De mensen, omdat ze tot geloof waren gekomen, werden niet allemaal onmiddellijk christen, omdat het christendom niet nog niet bestond. Wat er gebeurt zou zijn is dat men het levensverhaal van die merkwaardige man, Jezus van Nazareth, zo jammerlijk aan zijn einde gekomen, op waarde ging schatten. Hij ging de wereld in en hij zocht de mensen op die het minder goed getroffen hadden. De zieke, de vreemdelingen, de wezen en de weduwen. Hij bood hen hoop, hij gaf hen een gezicht, vertelde hen het verhaal van de bevrijding. Hij was vol vuur, vol passie over het lot van deze onbeschermde. Daarvoor instaan was voor hem het geloof, was voor hem de kerk van die tijd.

Het beeld van het vuur is dus symboliek en dat geldt ook voor het Bijbelverhaal van vandaag. Mozes wordt geconfronteerd met een wonderlijk natuurverschijnsel. Een struik die brandt maar niet verteerd. Dat wonder is niet de kern waar het met Pinksteren omdraait. De kern van Pinksteren zit in de vraag waar we met ons geloof naar toe willen. Met hemelvaart werden we met onze laarzen in de modder gezet. Hemelvaart bepaald ons bij wat er hier op aarde aan de hand is. En met Pinksteren moeten wij vanuit ons geloof de richting bepalen. Voor wie gaan wij door vuur en vlam en hoe gaan wij om met alles wat we om ons heen zien gebeuren. Alle vragen en onzekerheden, domheid en twijfel die bij ons zelf leven. Alle zieke en vreemdelingen, wezen en weduwen die op ons pad komen.

Mozes wordt al snel bepaald bij de gedachte dat dat vuur, wat die struik niet verbrandt, niet de kern is van het geloof. Ik ben de God van je Vader, van Abraham en Izaak en Jacob. Door zich op deze manier aan Mozes voor te stellen maakt God duidelijk dat deze niet zomaar een passant is, die toevallig voorbij komt. Maar deze is een god die door de generaties heen gaat. En zich dus voor langere tijd, voor eeuwig, aan de mensen verbindt.

Onmiddellijk daarna wordt helder waar de passie ligt van deze god. Waar deze voor door vuur en vlam gaat. Namelijk bij de mensen die het zwaar hebben. Die zuchten onder verdriet, ellende, uitbuiting en slavernij. Dat is zijn volk. Het volk van god is niet begrensd door slagbomen en door mensen vastgestelde grenzen van landen. Dat volk van god gaat over alle grenzen heen van zuid naar noord en van oost naar west. Deze god geeft aan Mozes heel nadrukkelijk aan dat hij de ellende van het volk gezien heeft.  Om dit “zien” van god draait het. Een mens krijgt een gezicht. Een mens krijgt een nieuwe toekomst, krijgt hoop doordat hij herkend wordt en in zijn lijden erkend wordt.  

Maar als je het dan ook gezien hebt, als je herkend wordt, als die hoop je geboden wordt, dan is de urgentie ook hoog. God heeft weinig tijd te verspillen. Mozes wordt er nú op uit gestuurd. Hij moet het volk leiden, voorgaan op de weg van de bevrijding. God wil voortvarend te werk gaan. Maar die voortvarendheid loopt vertraging op door de weigerachtigheid van Mozes. Het lijkt erop alsof hij niet wil. Wie ben ik dat ik naar de Farao ga?  Ik zal bij je zijn, zegt God. Maar dat overtuigt Mozes allerminst. En wat als ze mij niet geloven is het tweede bezwaar dat Mozes inbrengt.  Dan komt er ook nog een derde bezwaar achter aan; en als ik er dan ben, namens wie spreek ik dan? Wie moet ik zeggen dat mij heeft gestuurd?  “Ik zal er zijn” is mijn naam. Ik zal er zijn voor jou.  Ik zal er zijn doordat ik jou op pad stuur. Want deze god handelt altijd door mensen.

Het is dus niet zomaar een god, niet het opperwezen dat we op een troon kunnen plaatsen. Niet “het iets” wat we in model kunnen brengen zoals het ons toevallig op dat moment uit komt. Maar het is een god wiens naam betekent heel concreet; geen diensthuis, geen slavernij, geen onderdrukking. Het is een god die afdaalt om te bevrijden.

Wat voor een god is dat? Die kennen wij toch niet? Zoiets hebben we toch nog nooit meegemaakt. We kennen in de wereld, bij naam en toenaam, de mensen die zich goden wanen. Die gezeten op een hoge troon naar willekeur beschikken over mensen. Over leven en dood. We kennen die goden die zich laat toejuichen met vlaggenparades. Die hun macht tonen met wapengekletter en optochten met het nieuwste wapentuig. Maar een god die afdaalt? Die naast mensen gaat staan? Wat heeft zo’n god met ons voor? Wat kunnen we van zo’n god verwachten?

De god van Mozes, de god van Jezus  is een god die zich onderscheidt doordat deze een god van bevrijding is. Dat heeft hij met ons voor, dat kunnen we van hem verwachten. Een god die een passie heeft, die in vuur en vlam staat voor die mensen die het minder goed getroffen hebben in deze wereld.

Vandaag vieren we Pinksteren. De geboorte van de kerk. Maar met de geboorte van kerk worden we ook de wereld in gestuurd. Het gaat namelijk niet alleen om zingen en bidden en de lofzang. Met de geboorte van de kerk worden we vandaag de wereld in gestuurd om die God, die we ons maar moeilijk kunnen voorstellen, gestalte geven. Op weg naar de vrijheid. Amen.

Deuteronomium 6

Dat nooit weer, dat is wat we vaak horen in deze dagen. Dat nooit weer. Nooit geen oorlog meer. Nooit geen dictatuur meer. Nooit meer een tijd waarin mensen omwille van hun ras, hun geaardheid of hun politieke opvattingen worden weggevoerd en vermoord. Nooit meer een tijd dat concentratiekampen bestaan. Dat steden worden platgebombardeerd. Nooit meer een tijd van angst en achterdocht.  Een tijd waarin de grootheidswaanzin van een enkeling miljoenen de dood in kan jagen. Dat nooit weer.

De komende week gedenken we 75 jaar vrijheid. We staan stil bij wat die vrijheid ons heeft gebracht, we staan stil bij de mensen die uit de tijd zijn gegaan in de strijd tegen de dictatuur. We gedenken. Maar gedenken is niet alleen achterom kijken en tevreden zijn over wat we tot vandaag hebben bereikt. 75 jaar vrede, vrijheid en welvaart. Alle ingrediënten om inderdaad tevreden te zijn.

Uit de Bijbel kennen we de verhalen hoe het volk Israël werd bevrijd uit de slavernij en door de woestijn trok naar het beloofde land. Ze trokken weg uit het land des doods, onderweg naar het beloofde land. En tijdens die tocht ontvangt het volk de tien woorden. Woorden die gegeven worden om gezegend en vruchtbaar te kunnen samenleven. Het zijn woorden die voor eeuwig met het volk meegaan. Om hen er constant aan herinneren waar ze vandaan komen. Uit de slavernij en de onderdrukking. Het moet hen er aan herinneren dat ze bevrijd zijn door een God die een God is van vrede en vrijheid. Een God die hen wegleidt uit de chaos en de onderdrukking. Daar worden zij, door middel van deze tien woorden constant aan herinnert.

Het gaat echter niet alleen om het herinneren. Herinneren doen we als individu en de loop van de tijd kleurt ons herinneringen. De komende dagen gedenken wij en gedenken gaat een stap verder dan herinneren. Gedenken betekent namelijk dat de geschiedenis levend blijft van generatie op generatie. Dat is van het allergrootste belang. Als we vergeten waar we vandaan zijn gekomen en we kijken alleen nog maar naar waar we nu zijn dan zakt de herinnering weg in de verheerlijking van deze tijd. We hebben het kwaad toch overwonnen? Hoezo oorlog en dictatuur? Dat is iets uit een grijs verleden. We hebben een continent gebouwd vol welvaart en rijkdom. Nog een paar jaar en niemand van ons weet meer, uit eigen ervaring, wat het is om te leven in oorlog en dictatuur. 

In deze tijd van vrede en vrijheid en welvaart kan dit gegeven snel ontaarden in zelfgenoegzaamheid en relativering. Het vertroebelt ons zicht op wat er in de jaren 40-45 gebeurde en dat biedt mensen de gelegenheid om relativerende opmerkingen en vragen te stellen; was het allemaal zo slecht of zaten er ook goede kanten aan die dictatuur? Hebben sommige mensen het er niet zelf naar gemaakt, hadden ze niet beter hun mond kunnen houden? Relativering van zo iets groots en ingrijpends zet de deur op een kier naar recht praten wat krom was.

En tegelijkertijd onze tijd, vandaag, geeft geen enkele aanleiding tot zelfgenoegzaamheid. De werkelijkheid van vandaag is er een van sterke mannen die alle macht weer naar zich toe willen trekken. Van landen die de grenzen sluiten voor mensen, op hun tocht door de woestijn, gevlucht voor oorlog en onderdrukking. De werkelijkheid is dat wij kinderen laten verkommeren in uitzichtloze vluchtelingenkampen. De werkelijkheid is dat antisemitisme  nog steeds aanwezig is. Dat oordelen over kleur en geloof ons scheiden. Dat gelijkheid voor iedere sexuele voorkeur nog steeds geen gemeengoed is. Alleen al die werkelijkheid maakt het dringend noodzakelijk dat wij blijven gedenken.

Gedenken, hoe doen we dat?  Deuteronomium geeft daar bijna achteloos een antwoord op. Wanneer uw kinderen u later vragen, wat betekenen al die bepalingen en wetten en regels die de Heer onze God ons heeft voorgehouden?

Herinneren is veelal een individuele gebeurtenis, maar gedenken doe je door middel van dialoog, door middel van verhalen tussen de generaties. Het gesprek van vader op zoon, van moeder op dochter. Ieder jaar begint het Joodse Paasfeest met vier “waarom” vragen, gesteld door het jongste kind van de familie. Die vier vragen geven aanleiding om de oude verhalen ieder jaar weer opnieuw te vertellen. Tom Naastepad schreef het ooit zo op; “wij waren dienstknechten voor de Farao in Egypte. Maar de Heer heeft ons weggeleid uit dit land van de dood, met sterke hand. Hij gaf ons tekenen en wonderen, grote en kwade tegen Egypte, tegen de Farao en tegen het huis van de Farao. Dat deed Hij voor onze ogen. Hij deed ons uittrekken, vandaar, naar het beloofde land. Hij gebood ons om te blijven gedenken opdat het ons en de wereld zal gaan naar gerechtigheid, als wij bewaren al deze woorden”.  

Woorden waarin zoveel gezegd wordt als; tot vandaag ben ik jullie toekomst, mijn naam is hartstocht voor gerechtigheid. Ik ben een God van vrede en vrijheid. Ik heb jullie losgemaakt uit onderdrukking en chaos, niet om jullie vervolgens weer in die onderdrukking en chaos te laten vervallen. En daartoe zeg ik jullie; vertel elkaar de verhalen. Verhalen van toen die vandaag tot leven komen, die vandaag ons vernieuwen, keer op keer. Vrede en vrijheid is ons gegeven door deze Ene God, die ons uit angst en doem heeft weg getild. Vrijheid om met elkaar in vrijheid te leven. En om die vrijheid te bewaken, gedenken we, om te voorkomen dat we weer tot slaven worden gemaakt.

Psalm 46

Het is een hectische tijd, een verwarrende tijd. We willen graag dat dat datgene wat we nu meemaken zo snel mogelijk achter de rug is. We willen weer terug naar het normale. Maar we willen ook dat het virus dat de wereld op dit moment in de greep houdt zo snel mogelijk wordt ingedamd. En we verwachten van de overheid dat zij ons daarin beschermd. Dat zij maatregelen neemt die ten dienste staan van het volk en ervoor zorgen dat we niet nog verder in de ellende terecht komen. Maar het verwarrende is dat het volk begint te morren wanneer deze maatregelen te lang duren of te als te streng worden ervaren. En overal in de wereld zie je nu dat mensen beginnen te protesteren. Ook al zeggen alle deskundigen dat het toch het verstandigste is om deze maatregelen nog even vol te houden.

Maar uiteindelijk wil een mens terug naar de vrijheid. Hij wil zijn eigen leven kunnen invullen. Zelf bepalen waar en wanneer hij boodschappen doet. Waar hij naar toe gaat op vakantie. Zelf kunnen bepalen of hij wel of niet naar de kerk gaat. Ieder mens wil een ander mens kunnen ontmoeten, kunnen aanraken, kunnen knuffelen.

In deze verwarrende tijden wordt ons gevraagd om vertrouwen te hebben. Vertrouwen in de overheid, vertrouwen in deskundigen. Maar hoe langer het duurt, hoe minder vertrouwen  we lijken te hebben in hen en hoe meer we gaan vertrouwen op ons eigen onderbuik gevoel. De psalm die we lazen komt daar nog overheen,  die vraagt van ons mensen om ons vertrouwen te stellen op God

Deze psalm is beroemd geworden door Maarten Luther, de grote kerkhervormer. Hij, Maarten Luther, bivakkeerde in een vesting, een kasteel, de Wittenburg. Waar hij zich schuil hield voor zijn belagers. De macht van de kerk. Waar hij min of meer gevangen zat, beroofd van zijn vrijheid. Dat beeld van een vesting, van onaantastbaarheid, van een God als een burcht waar mensen bescherming kunnen vinden, waar mensen vertrouwen in kunnen hebben, dat beeld projecteerde hij op God. God als een vesting. Maar beeld het heeft daardoor ook iets ontoegankelijks. Wij in onze tijd verwachten van leiders empathie invoelingsvermogen. De zucht van toenmalig koningin Beatrix na de aanslag in Apeldoorn raakte ons allemaal diep. De zucht en de duivelse dilemma’s van Mark Rutte, zullen we niet snel vergeten. Wij verwachten in onze tijd dat leiders van een land begrijpen en voelen waarmee de mensen in het land worstelen. Dat de vragen en angsten van het volk, ook hun vragen en angsten zijn. Niet alleen in tijde van vreugde, maar juist in tijde van angst en onzekerheid.

Wat moeten wij met dat beeld vandaag dan nog van een onaantastbare god. Een god als vesting.  De mensheid is verstard onder angst en onzekerheid. Zouden wij geen angst kennen?  Overal over de wereld, ook in onze directe omgeving, kennen we de verhalen. En we kunnen het zien en horen, hoeveel angst en onzekerheid dat teweeg brengt. We zien het in de ogen van mensen en horen de machteloosheid in hun stem.

Wij willen graag een god zien die met ons meelijdt. Een god die met ons huilt. Die met ons lacht, die aan ons zijn kwetsbaarheid durft te tonen. En daarin een toevlucht is voor ons. Daar zit dan zijn kracht in. Niet in de afstandelijkheid. Die afstandelijkheid creëert eenzaamheid en een gevoel van alleen zijn.

Wat moeten we nu, vandaag in deze tijd met dit beeld van een God als vesting.  Af serveren? Als achterhaald beschouwen? Of is het beeld van God, de stem van de mens? Horen wij hier mensen aan het woord? Mensen in het verlangen naar sociale contacten. In het verlangen naar geborgenheid en aanraking. Mensen in het verlangen om weg te komen uit hun eenzaamheid. Mensen die woorden zoeken en beelden gebruiken die hen vertrouwen geven. En misschien zijn dat niet meer de beelden die wij vandaag nog zouden gebruiken, maar voor ieder mens geldt dat geborgenheid een diep gekoesterd verlangen is. Een verlangen waarin we God kunnen leren kennen, zoals deze in de Bijbel naar ons toekomt, als een god die met ons huilt, die er is op de plekken waar mensen vechten voor hun leven. Die er is in deze pandemie. Die nooit weg geweest is en ook nooit weg zal gaan.