Alle berichten van Gerhard Ter Beek

Over Gerhard Ter Beek

Ik ben Gerhard ter Beek. Geboren in 1957 in Hoensbroek. In de eerste plaats ben ik echtgenoot, vader en opa. In de tweede plaats ben ik directeur van het oecumenisch diaconaal-pastoraal centrum de Open Hof in Groningen en ben ik voorganger in de protestantse gemeente Grolloo-Schoonloo

Micha 4: 1 – 8

Dat wij in de aanloop naar het Kerstfeest Micha lezen past in een eeuwenoude traditie. Deze traditie grijpt terug zo ergens op de vijfde eeuw na Christus. Dan praten we over de periode dat het Kerstfeest van 25-26 december nog niet was doorgedrongen tot Jeruzalem. Epifanie, de periode vanaf 6 januari dat was in die tijd het Christusgeboorte feest. Het Christusgeboorte feest ademt de hoop en de verwachting op een nieuwe toekomst. En in die zin is het niet zo vreemd dat we Micha lezen. Want dezelfde sfeer vinden we ook daarin terug.

Micha was een boerenprofeet. Een jongeman nog, althans in de ogen van veel ouderen. Overdag, wanneer het kan werkt hij op het land en ’s avonds als de zon ondergaat of in de middag wanneer het te warm is om te werken vinden we Micha op het dorpsplein in de schaduw van de bomen. Want Micha is, in tegenstelling tot andere grote profeten, niet iemand van de grote stad. Niet iemand die zich ophoudt in de omgeving van paleizen. Integendeel, hij is een van ons. Uit het dorp, waar iedereen,  iedereen kent.

En op dat dorpsplein gaat hij in discussie met de ouderen van het dorp. Over de toestand in de wereld, over het verleden en de toekomst van het land. Micha is weliswaar jong, maar dom is hij zeker niet. Hij heeft, zoals alle jongetjes in het Jodendom vanaf zijn 12e jaar de bijbelschool gevolgd. En daarin geleerd om kritische vragen te stellen aan de Torah en aan de wereld. Het zijn soms felle discussies die zich daar afspelen, tussen jong en oud. Hij wordt in de Bijbel profeet genoemd. Maar zoals alle profeten in de Bijbel is Micha ook geen toekomstvoorspeller. Hij heeft geen glazen bol van God meegekregen. De agenda van God kent hij niet. Hij kijkt naar de wereld en ziet heel scherp wat er aan de hand is. Hij ziet onrecht, hij noemt bij name wat er, volgens hem, tegen Gods bedoelingen ingaat. En dan beschrijft hij wat er volgens hem zou gebeuren als dat zo doorgaat. En dan zijn er altijd wel mensen die vinden dat dat wel meevalt. Niet zo zwartgallig kijken, roepen ze dan. Dan ontstaat als vanzelf de discussie.

De discussie op deze zondagochtend gaat over het thema oorlog en vrede. Ogenschijnlijk heerst er rust en vrede in het dorp van Micha. Het dorp is na de laatste oorlog, tegen de Assyriers, opnieuw opgebouwd. Mooie grote huizen, rijkdom en welvaart heerst er. De kinderen spelen en gaan naar school. De wonden van de oorlog zijn min of meer geheeld. De onderlinge verhoudingen, met hen die de verkeerde kant kozen, zijn genormaliseerd. Ze moeten ook wel, want ze zijn voor een belangrijk deel op elkaar aangewezen in het dorp.

Toch is de discussie over oorlog en vrede vreemd. Deze lijkt namelijk verder weg dan ooit. En dus moet er een andere reden zijn waarom daar nu over gediscussieerd wordt. Die reden vinden we misschien niet zo zeer in een begrip als oorlog, maar eerder in een begrip als vrede.

Als Joden spreken over vrede gebruiken ze daarvoor het woord shalom. Wij vertalen dat altijd als; vrede en denken daarbij aan de afwezigheid van oorlog. Maar shalom dat is in het Joodse denken meer dan de afwezigheid van oorlog. Met shalom bedoelen de Joden een algehele toestand van welzijn, waarin mensen in vrede kunnen leven met zichzelf, met elkaar en met de omgeving. Als je iemand shalom wenst dan wens je hem ook geluk. Dan wens je hem al het goede toe.

Als ergens in de onderlinge verhoudingen iets niet klopt, als de goede orde is verstoord, als er mensen zijn die niet gelukkig zijn, als de economische verhoudingen niet kloppen, dan kan er geen sprake zijn van shalom. Dan is er geen vrede. Shalom gaat dus verder dan de vrede die wij vaak bedoelen. Het heeft te maken met het hele leven. Met al onze vezels. Met al ons gevoel. Het heeft, volgens de Joden alles te maken met God. Buiten God is er geen shalom.

Blijkbaar kloppen de onderlinge verhoudingen in het dorp van Micha niet. Misschien is er wel een te grote kloof tussen arm en rijk, tussen mannen en vrouwen. Een economische ongelijkheid tussen de verschillende sectoren; de boeren en de handelaren? Degene die moeten sappelen en de ander waar het geld binnenstroomt. Tussen de burger en de politicus? De eerste, de zwakste, die bij de minste of geringste overtreding wordt weggezet als fraudeur en de ander die onbeschaamd het geld mag opstrijken. De dakloosheid die dramatisch is toegenomen in het dorp. De woningnood die alleen maar groter wordt. De verpleegster en de onderwijzer die geen tijd hebben om extra aandacht te schenken aan degene die aan hun zorg zijn toevertrouwd. En dan ook nog de vreemdelingen die in het dorp zijn komen wonen. Op het eerste gezicht lijkt alles in orde, in het dorp van Micha. Maar als je even dieper graaft kom je grote sociale verschillen tegen.  Die grote sociale verschillen staan shalom in de weg.

Daar gaat dus de discussie over met Micha. Als je het hele boek aan een stuk door zou uitlezen dan kun je het indelen in hoor en wederhoor. Micha benoemt de pijnpunten en geeft zijn visie op hoe het anders zou moeten. Deze discussie is ook een generatie conflict. Micha, de jongere, discussieert vanuit idealisme, met zijn hart en het radicalisme. Daar ben je jong voor. De wereld moet anders. Verhoudingen moeten op hun kop. Micha discussieert niet zozeer vanuit het verlangen om gelijk te hebben, maar eerder vanuit het verlangen om de wereld te veranderen. De ander, de oudere, heeft het allemaal al een keer meegemaakt. Die discussieert vanuit het conservatisme. De soep wordt niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend. Eerder geneigd om te benadrukken hoe het vroeger was en wat misschien vroeger wel beter was dan vandaag de dag. Natuurlijk zien zij ook wel dat niet alles perfect is, maar vroeger was toch ook niet alles verkeerd! Uiteraard niet. Maar we kunnen ook niet in het verleden blijven hangen is het pleidooi van Micha. Er komt ook altijd een nieuwe toekomst aan, met nieuwe vragen en daar moeten we nieuwe antwoorden op vinden. En Micha is daar de verpersoonlijking van. Hij is de nieuwe generatie.

We zijn onderweg naar het Kerstfeest, het Christusgeboorte feest. Een feest van hoop, verwachting en verlangen. In die discussie van Micha, met zijn opponenten, zit dat ook opgesloten. Met het Christus geboortefeest, zou je kunnen zeggen, treedt ook een nieuwe generatie aan het licht.  En een nieuwe generatie geeft altijd nieuwe hoop. Nieuwe verwachtingen worden gewekt. Een nieuwe toekomst wordt geboren.

Waarom eet en drinkt U

Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars? In een “waarom” vraag zit altijd een aspect van verantwoording afleggen. Waarom? Op het moment dat wij die vraag stellen wordt de ander geacht een vorm van verantwoording af te leggen tegenover ons.  Jezus wordt geacht verantwoording af te leggen tegenover Farizeeën en Schriftgeleerden over het feit dat hij eet en drinkt met tollenaars en zondaars.

Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars? Ach die arme Levi. Hij wordt als tollenaar op een lijn gezet met zondaars. Terwijl hij misschien wel eerzaam zijn werk doet als tollenaar. Een tollenaar is een douanebeambte. Niet meer en niet minder. Hij doet zijn werk aan de grens en als er mensen voorbij komen houd hij ze aan. Ze moeten dan eerst de wettelijk vastgestelde tolheffing voldoen. Misschien blijft er af en toe iets extra’s over voor hemzelf, als hij kans zag om meer te innen dan wettelijk was toegestaan. Corruptie is nu eenmaal van alle tijden en alle landen.
Hij is een klein radertje in die grote Romeinse rekenmachine. Een klein radertje in dat grote wereldwijde Romeinse rijk van die tijd. Maar dat is precies wat hem wordt kwalijk genomen. Hij heult met de vijand. Hij is in de ogen van velen een landverrader. En met landverraders wisten wij en weten wij wel raad. Daar komt bin dat je als tollenaar heb je nu eenmaal een slechte naam en je komt er nooit meer vanaf.

Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars? Dat zijn de woorden van de Farizeeën en Schriftgeleerden. De woorden van degene die dit verhaal heeft opgeschreven, Lucas, die klinken anders: hij richtte een groot feestmaal aan waarop een groot aantal tollenaars en anderen, samen met Jezus aanwezig waren? Je zou kunnen zeggen het is een taalspelletje, het gaat maar om een woord, maar dat is het toch niet. Wanneer je iemand, zoals de Farizeeën en de Schriftgeleerden dat doen,  een zondaar noemt dan verhef je je zelf boven die ander. Je voelt jezelf moreel superieur aan die ander. Ik ben niet zoals zij, ik ben beter, in ieder geval reken ik mezelf blijkbaar niet tot de categorie zondaars.

Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars? Hoe dat nu met die tollenaar zit dat weten we wel. Maar die zondaars, wie zijn dat dan in de ogen van Farizeeën?  In welke categorie vallen ze eigenlijk dat ze zondaar genoemd worden; moordenaars, fraudeurs, uitbuiters, dictators, mensen die discrimineren, leugenaars, pedofielen, hoerenlopers, verkrachters, vreemdgaanders, godslasteraars? De Bijbel is heel duidelijk over het begrip zondaar.  Degene die het recht verkrachten, zij zijn degene die afdwalen van het rechte pad. Zij zijn de zondaars. Vanuit ons Christelijk denken en geloven kunnen we daar niet zoveel tegen inbrengen, lijkt mij. Met elkaar hebben we in de loop der tijd een rechtsstaat gemaakt, waarin in op democratische wijze in wetten is vastgelegd wat wel en niet getolereerd wordt. En dan spreken we recht op basis van die wetten en straffen we op basis van die wetten. Een vorm van menselijke beschaving. Natuurlijk gaat er daarnaast ook erg veel fout tussen mensen onderling. De Nederlandse democratische rechtstaat verbiedt het vreemdgaan niet en een hoerenloper is ook niet illegaal bezig. Maar ethisch is daar natuurlijk wel het nodige over te zeggen. Wat in ieder geval wel tegen de Bijbel ingaat is het idee dat we op basis van morele superioriteit mensen denken te kunnen verdelen in de categorie zondaars en niet-zondaars. Zondaar zijn is geen moralistisch begrip, alhoewel het door ons vaak wel zo gevoeld en gebruikt wordt. Het tekent eerder een tekort wat in ieder mens nou eenmaal aanwezig is.

Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars? Waarom zou je het niet doen, kan een gerechtvaardigde tegenvraag zijn? Is niet ieder mens geneigd tot zondigen? Onwetendheid, gebrek aan inzicht, neiging tot het kwade ten gunste van zichzelf, hoort dat niet bij de menselijkheid. Want alleen God is toch perfect? Als wij mensen perfect zouden zijn, en ons dus niet rekenen tot de categorie zondaars, dan zouden we dus goddelijk zijn. Maar het tragische van het menselijk leven is, is dat wij mensen met blindheid zijn geslagen. Struikelend, tastend, vallend, opstaand, fouten makend zo verloopt ons leven. Je zou misschien kunnen zeggen; de mens moet wel falen, want dat zit nu eenmaal in hem. Het afwijken van het rechte pad is nu eenmaal een menselijk gegeven. Vandaag gaat het goed en morgen gaat het mis. Vandaag sta je nog aan de goede kant van de streep en morgen sta je aan de verkeerde kant. Vandaag ben je nog een gerespecteerd burger en morgen ben je een dakloze of een crimineel tussen vier muren.

Hij richtte een feestmaal aan voor tollenaars en anderen. In deze formulering wordt niet de zonde benoemd. Hierin wordt het mens-zijn vooropgesteld. Kunnen we daarmee dan concluderen dat we maar wat aan kunnen rotzooien. Nee, want leidend is de rechtstaat en de menselijke ethiek. Maar wat er in deze formulier wel gebeurd is dat de persoon losgekoppeld wordt van de zonde. De leugen wordt veroordeeld, maar niet de leugenaar. Jezus schept geen afstand, maar hij zoekt de mensen, waarvan de samenleving, de gegoede burgerij, zegt dat ze zondaars zijn juist op, om dichterbij te komen. Zijn motief was daarbij niet dat hun zonden niet zo erg waren, maar dat hij hen als mens niet liet vallen, omdat hij hen liefhad.

Het is slechts de liefde, het is slechts de nabijheid die mensen kan doen veranderen. Die mensen zichzelf kan doen bekeren. Mensen veranderen niet door een afstandelijke morele superioriteit. Mensen veranderen niet door afwijzing en veroordeling. Maar mensen veranderen omdat ze merken dat je daadwerkelijk in hen geïnteresseerd bent, dat je bij hen betrokken bent. Wij zijn in onze huidige tijd, in onze kerk, niet zo van het begrip bekering. Maar toch is dat wel een vorm van bekering. Door voor nabijheid te kiezen geven we mensen de kans om, om te keren.

Hij at met tollenaars en anderen. Wat er aan tafel besproken is, geen idee. Dat behoort tot het ambtsgeheim van Jezus, de pastor en voorganger. Dat behoort tot de privacy van de gesprekspartners. Die hebben het recht om in beslotenheid hun levensverhaal te vertellen. De inhoud is voor de buitenwereld niet zo belangrijk. Wat in eerste instantie belangrijk is, is de ontmoeting, de erkenning van het mens-zijn, los van wat er in je leven misging. We kunnen het Bijbelgedeelte van vanmorgen samenvatten door te zeggen; vraag niet naar het waarom, maar luister en oordeel niet.

David en Goliath

Het verhaal van David en Goliath staat in de Nederlandse top 5 van meest geliefde Bijbelverhalen. Als je het leest is ook wel duidelijk waarom; het heeft alles in zich van een spannend jongensboek; de herdersjongen wint met lef, bluf en slimheid. Daarmee vertegenwoordigt hij het goede. En hij wint van een reuzenkrijger, iemand die symbool staat voor al het kwade in de wereld. Het verhaal van David en Goliath gaat daar in de kern over. Het goede tegenover het kwade!

De strijd tussen David en Goliath is ook een wedstrijdje blufpoker, waarin men met woorden probeert indruk op elkaar te maken. Goliath is de sterke man. Hij heeft een onverzadigbaar zelfvertrouwen. Hij, en hij alleen kan de Filistijnen de overwinning bezorgen. Zonder hem, de sterke man, is het volk reddeloos verloren. Anders gezegd; kies mij als uw leider en ik zal u groot maken!

In deze woordenstrijd tussen David en Goliath gebruikt de een nog grotere woorden dan de ander. Goliath hoont zijn tegenstander, lacht hem recht in zijn gezicht uit, denk jij mij met een stok te kunnen verslaan. Laat me niet lachen! Hij dreigt David te maken tot aas voor de gieren en hyena’s. In naam van zijn goden vervloekt hij David. Daar moet David natuurlijk wel wat tegenover stellen in deze psychologische oorlogsvoering; “ik zal je de kop afhakken en ik zal de lijken van de Filistijnen aan de aasgieren en hyena’s ten prooi geven”. En omdat Goliath alles wat hij tegen David riep, deed in naam van zijn goden, kan David natuurlijk op dat terrein ook niet achterblijven. “Ik zal je de kop afhaken opdat de hele wereld weet dat Israël een God heeft die geen zwaard of lans nodig heeft”. Ik weet niet of deze woorden veel indruk hebben gemaakt op Goliath. Het volk Israël werd toch al als een buitenbeentje beschouwd in de regio omdat men slechts een god had, terwijl alle andere volken in de wereld meerdere goden hadden.

Maar daar gaat het in de kern nog steeds niet over dit verhaal. Het verhaal is geen verslag van een gebeurtenis zoals we die dagelijks in de media tegenkomen. De schrijver wil ons met dit verhaal, waar heel veel symboliek in zit, iets vertellen over het koningschap van Israël. Want laten we niet vergeten, op het moment van de confrontatie tussen David en Goliath, was David door Samuel al gezalfd als toekomstig koning van Israël. Als opvolger van Saul dus. Alleen Saul wist dit nog niet. Het was slechts in een klein kringetje van de familie van David bekend. Dat maakt dit verhaal extra pikant.

Even lijkt het erop dat David een zelfde soort koning zou worden als Saul. Wanneer Saul uiteindelijk dan toestemming geeft aan David om de strijd aan te binden met Goliath, hijst deze hem in een harnas en geeft hem een zwaard. Maar dat is wat David niet kan. Hij kan geen koning zijn die zich verschuilt achter gepantserd glas, zich verplaatst in gepantserde auto’s. Hij wil een koning zijn die dicht bij zichzelf blijft, die vertrouwd op de bescherming van god, die vertrouwd op zijn eigen gevoel. Niet als een tweede Saul, als een geharnaste krijger wil David Goliath tegemoet treden. Niet als een Goliath in het klein, maar als zichzelf, als herder. Hij wordt daarin getekend als een man naar Gods hart. Wat een tegenstelling met Saul. Die, net als Goliath, vertrouwd op kracht en geweld en denkt daarmee de wereld te kunnen veroveren. Het tekent aan de ene kant de grootsheid en de moed van David en laat tegelijkertijd zien waar het in het koningschap vaak aan schort.

Het gaat over de tegenstelling tussen herder en krijger. Een koning die het volk zijn eigen weg laat kiezen, die staat in dienst van het volk en de vrede en het welzijn willen dienen. Een koning die zijn zwakheid durft te tonen, die niet van zichzelf getuigt over zijn onmetelijke wijsheid, maar die durft te erkennen dat deze het soms ook niet weet. Een herder laat zijn kudde dwalen over de heide, beschermt de deze en zorgt ervoor dat ze voldoende eten en drinken kan vinden en leidt ze uiteindelijk iedere avond weer naar een veilige stal.

Daar staan andere koningen vaak tegenover. We zien door de geschiedenis heen en zeker ook in onze tijd, steeds weer koningen die net als Goliath, maar ook als Saul, vertrouwen op kracht en geweld. Die niet aarzelen om oorlogen te beginnen. Die niet bang zijn om dit gepaard te laten gaan met spelletjes blufpoker. Die zichzelf graag op de borstkloppen als de “redders van het volk”. Pochen met hun onmetelijke wijsheid. De mening van het volk onderdrukken om hun eigen macht te bestendigen.

Het verhaal van David en Goliath is spannend, maar de afloop is ook voorspelbaar. Uiteindelijk zal de veel sterkere tegenstander in het stof bijten, omdat hij vertrouwd op zijn eigen kracht en het geweld. Terwijl David vertrouwd op het visioen van een god die geen zwaard of lans nodig heeft, die een koning wil zijn als een herder. Dat vertrouwen zal uiteindelijk zegevieren, omdat macht niet langer tegenover macht staat en geweld niet met geweld wordt overwonnen. 

Onzichtbare daklozen

Alweer enige tijd geleden pakte de meeste kranten groot uit. Het aantal daklozen in Nederland was in tien jaar tijd verdubbeld tot 40 duizend daklozen in 2018. Dat was groot nieuws. Niet zozeer de aantallen, die waren bij de insiders allang bekend. Maar eerder het feit dat wij blijkbaar in ons (rijke) land niet in staat zijn om armoede effectief te bestrijden en dakloosheid tot het minimum te beperken.

Wat ook groot nieuws was en daarmee ook schokkend, was de reactie op dit nieuws van politici en beleidsmakers. Allen waren geschokt en hadden het niet zien aankomen. Dan denk ik, dan heb je de afgelopen jaren toch diep onder de dekens gelegen met je hoofd. Temeer ook omdat dezelfde beleidsmakers veelal verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van hun beleid, namelijk een groeiende armoede en een grotere dakloosheid. Dakloosheid is geen natuurramp die ons overkomt, maar een direct gevolg van gemaakt beleid. Onder andere de bezuinigingen in de geestelijke gezondheidszorg. Er kwam minder bedden beschikbaar, mensen werden daardoor mensen eerder “ontslagen” werden van hulpverlening en moesten ze zichzelf maar zien te redden. En wat te denken van de woningmarkt, waardoor veel mensen niet meer in aanmerking voor een gewone betaalbare huurwoning. Bij een dakloze denken we vaak aan iemand die omringd met bierblikjes slaapt op een bankje in het park. Maar er is ook een groeiende groep daklozen waar verder geen onderliggende zorgproblematiek speelt. Het gaat dan om mensen die door een levensgebeurtenis als een echtscheiding of verlies van een baan dakloos zijn geworden. Deze dakloze kan je broer zijn, je collega of jijzelf. Het kan iedereen overkomen.

Schrijnend is ook dat vooral lokale politici opgezadeld worden met deze problematiek.  Die letten vervolgens alleen maar op de portemonnee. Ze moeten ook wel want, terwijl bij de rijksoverheid het geld tegen de plinten klotst, worden zij geconfronteerd met allerlei bezuinigingen. En dus stellen ze alles in werk om ongewenste daklozen, oftewel mensen zonder vaste woon of verblijfplaats, te ontmoedigen om in de stad te blijven, dan wel actief terug te sturen naar de plaats waar zij vandaan zouden komen. Dat noemen zij dan; “doordecentralisatie”.  Laat Appingedam zijn eigen daklozen maar opvangen. In Groningen is het beleid; we geven zo min mogelijk mensen een briefadres. Daardoor kunnen ze geen uitkering aanvragen en daarmee verdwijnen ze wel uit de stad. Terwijl de ervaring leert dat daklozen nergens vandaan komen en ook nergens heen gaan en dus gewoon blijven, bij voorkeur in de anonimiteit van de grote stad. Maar dan zonder uitkering en hulpverlening. Onzichtbaar dus! Probleem opgelost? Over een paar jaar zijn er ongetwijfeld weer “geschokte” politici die roepen dat ze het probleem niet hadden zien aankomen.

Genesis 39: 1 – 20

Jozef en de vrouw van Potifar

Het leven van Jozef is het beste samen te vatten met de  “American Dream”. Van krantenjongen tot president. Dat geldt zo ongeveer ook voor Jozef. De lieveling van zijn vader, gehaat door zijn broers, ontvoerd, verkocht, gevangen gezet en uiteindelijk onderkoning van Egypte en daarmee de op een na machtigste man van de op dat moment bekende bewoonde wereld.  En daar tussendoor speelt zich van alles wat je zou kunnen samenvatten onder het menselijke leven; liegen, bedriegen, verleiding, arrogantie, wraak, cynisme, roof. Zaken waar een mens over het algemeen niet erg trots op is. Maar tegelijkertijd hoeven we daar ook weer niet vreemd van op te kijken; want uitgerekend de bijbel staat vol met dit soort personages en dit soort menselijke verhalen.

Jozef lijkt geboren voor het ongeluk. Je zou kunnen zeggen het is een kwestie van tijd of het gaat wel weer ergens fout. En dat lijkt ook te gebeuren als hij eenmaal in Egypte is aangekomen. Weliswaar als slaaf, maar niet zomaar een slaaf. Potifar zag in hem niet een sjouwer, een harde werker, maar een kamerheer. Dat zal ongetwijfeld met de bouw van zijn lichaam te maken hebben gehad. Het wordt expliciet beschreven; hij wordt mooi van gestalte en schoon van voorkomen. En hij ziet er blijkbaar uit als iemand die te vertrouwen is. Want Potifar maakt hem tot zijn persoonlijk bediende. Tot kamerheer. En als kamerheer heb je toegang tot alle vertrekken van het paleis en word je ingewijd in de intiemste geheimen van je heer. Een vertrouwensvolle functie. Maar tegelijkertijd is er van Jozef als slaaf ook geen enkel gevaar te duchten en al zeker geen concurrentie.

Maar wie mooi is loopt blijkbaar ook gevaar. Want zo iemand wekt begeerte op! De vrouw van Potifar laat haar ogen vallen op deze knappe jongeman. Tenslotte blijft hij voor haar een slaaf, een bezit, waarover zij meent te kunnen beschikken naar willekeur. Hier is geen sprake van echte liefde. Maar hier is eerder sprake van bezitsdrang. De vrouw van Potifar is het beeld van een wereld die zichzelf als middelpunt ziet, waar alles omdraait en die zich menen te mogen toe-eigenen waar zij, op grond van hun maatschappelijke positie menen recht op te hebben. Louter en alleen om hun eigen behoefte veilig te stellen.

Daar waar Jozef zich een positie dacht te hebben te verworven, waarin hij dacht redelijk veilig te zijn, doemen er opnieuw problemen op aan de horizon. Want mensen die menen recht te hebben op iets, grond van hun maatschappelijke positie en ze worden daarin gedwarsboomd, zijn vaak levensgevaarlijke mensen. Daarin geven zij vaak hun ware aard bloot. Daarin komt vaak aan het licht hun bezitsdrang, hun doel om te heersen. Deze wereld is niet beter te tekenen dan in het beeld van de perverse seksualiteit. Waarin een mens wordt gedegradeerd tot object. Tot bezit. Op de rand van het bed worden mensen vaak ontmaskerd.

Het is daarom misschien ook wel dat Rembrandt de vrouw van Potifar afbeeldt op de tekening, zoals hij haar afbeeldt. Op de rand van het bed, toont hij schaamteloos wat haar ware aard is en wordt zij door Rembrandt daarin ook schaamteloos ontmaskerd.

Een gevolg van deze schaamteloosheid is dat Jozef hier wordt beproefd op zijn betrouwbaarheid. Want laten we eerlijk zijn. Hem wordt de kans geboden om via het bed hogerop te komen. Niet meer te zijn een slaaf, maar te zijn als een heer. En wie zou die kans, in zijn machteloze positie als slaaf, willen laten lopen?

De weigering van Jozef heeft daar alles mee te maken. Hij zegt niet dat hij geen overspel wil plegen. In dit verhaal is daarom ook niet zozeer de seksuele moraal aan de orde, maar het gaat om de verleiding of hij ook de grootste wil zijn.

Aan het hof van de Farao had de vrouw van Potifar blijkbaar de vrijheid om te handelen met haar knechten zoals zij meende dat goed was. Wettelijk zal ze dan misschien ook wel in haar recht hebben gestaan in die tijd. Maar moreel is dit een staaltje van ongewenste intimiteit op de werkvloer. Zij slachtoffert Jozef omwille van haar eigen behoefte tot bevrediging. Ze maakt schaamteloos misbruik van haar machtspositie. Ze houdt geen moment rekening met het vertrouwen dat in hem gesteld was, ze houdt geen moment rekening met zijn positie. Ze is alleen bezig met haar eigen behoefte bevrediging.  Jozef kan geen kant op. Hij is afhankelijk van haar en komt naar haar huis “slechts” om zijn werk te doen.

Misbruik van vertrouwen onder mensen is een daad die regelrecht ingaat tegen het Gods vertrouwen. Maar tegelijkertijd, Gods vertrouwen is geen garantie op succes in het leven. Vooral als het spannend wordt en een mens zich geplaatst ziet voor belangrijke, verstrekkende beslissingen, dan komt god niet om de hoek kijken als een geruststellende instantie, doe goedkeurend, dan wel afkeurend knikt. Een mens blijft zelf verantwoordelijk voor de beslissingen die deze neemt. Jozef blijft zelf verantwoordelijk voor zijn eigen handelwijze, ondanks dat hij in een situatie terecht is gekomen waar hij niet om gevraagd heeft. Hij is daar ook goed van bewust. Geen enkele maal doet hij in deze situatie een beroep op God. Daar waar Jozef misschien dacht dat hij het met zijn eigen betrouwbaarheid wel zou redden, is god de grote afwezige. En de vraag is dan ook waar God is. Jozef lijkt letterlijk overgeleverd aan de heidenen. Het huis van bewaring dat is wat hem wacht, want in zijn positie zal niemand zijn kant van het verhaal geloven. Maar juist daar, in diepte van nacht, want zo mag je de gevangenissen van die tijd wel noemen, komt God hem toch weer tegemoet. God toont zich betrouwbaar, omdat Jozef zich betrouwbaar toonde. Ook al had hij, omwille van zijn eigen hachje, daar beter niet voor kunnen kiezen.