Corona virus en onsterfelijkheid.

Toen een paar maanden geleden het corona virus uitbrak was het voor ons, in het westen, in Europa toch vooral een ver-van- bed-show. We werden weer bevestigd in beeld van Chinezen die het niet zo nauw nemen met hygiëne, die de meest exotische dieren openlijk op de markt laten liggen en ze nog opeten ook. De paniek begon bij ons pas toe te slaan op het moment dat het eerste slachtoffer in Europa zich aandiende. Ondanks dat er van alle kanten werd aangegeven dat het allemaal wel mee viel, het was niet meer dan een stevige griep. En aan een “normale” griep gaan nu ook eenmaal jaarlijks mensen dood. En dat zijn vaak meer mensen dan dat er tot nu toe aan het corona virus zijn overleden. De paniek zit volgens mij in het feit dat wij dachten dat we langzaam aan wel de top van de Olympus hadden bereikt in onze medische wetenschap. In de jaren 80 hadden we het aids-virus dat veel meer slachtoffers maakte dan het corona-virus tot nu toe. Door de medische wetenschap is het aids virus een chronische ziekte geworden, die goed te behandelen is. De Mexicaanse griep, Mers virus, Sars virus waren ook vrij snel, zonder al te grote schade onder controle. Vele vormen van kanker zijn tegenwoordig te genezen, dan wel te reduceren tot eveneens een chronische ziekte.

Bij het corona virus is dat allemaal anders. De economische schade loopt al in de miljarden. Het openbare leven komt in veel landen volledig tot stilstand. Het verloop en de ontwikkeling van het virus zijn onberekenbaar. En medicatie kan nog wel jaren op zich wachten. Is het eigenlijk niet zo dat wij, door dit corona virus, worden aangetast in ons idee van onsterfelijkheid? En dat daar de paniek door ontstaat? We hadden tot nu toe misschien het idee dat we de top van Olympus wel bijna bereikt hadden en alles onder controle hadden. De discussie ging steeds vaker over de vraag hoe oud kan een mens worden? En steeds minder over de vraag waar kunnen wij nog aan dood gaan, zonder dat er een medicijn dat ons kan redden voor handen is. Het corona virus zet deze “zekerheid” plotseling op losse schroeven. We blijken dood te kunnen gaan aan iets wat we niet onder controle hebben, waar geen medicijn tegen beschikbaar is, wat ons openbare leven ontwricht en de economie in een crisis stort. Aan die gedachte moeten we wennen. Maar die gedachte kan ook heilzaam zijn. Het dwingt ons tot bescheidenheid. De top van de Olympus zal nooit worden bereikt, iedere keer als wij denken dat we er bijna zijn worden we weer terug geworpen door een nieuwe onberekenbare en onzichtbare tegenstander.

Heiligen en zondaars

In mijn vakantie heb ik het boek gelezen; “vrijspraak voor losers” van Nadia Bolz-Weber. Zij is een Amerikaanse theologe. Pastor in Denver van de Lutherse gemeenschap House for all Sinners and Saints. Een gemeenschap van yuppen en verslaafden. Nadia Bolz-Weber is een omstreden figuur. Voor conservatief Amerika is ze veel te links, maar voor links kerkelijk Amerika is ze teveel een Jesus-freak. Het is een getatoeëerde, grofgebekte pastor die zichzelf wegzet als een kerkelijke anti-held.

In het boek schetst zij een groot aantal portretten van mensen die op haar pad kwamen. En daarin schuwt zij de confrontatie niet. Ook niet met zichzelf. Ze vertelt het verhaal dat ze een identificatie figuur gevonden had in een vrouwelijke theologe, die ongeveer 100 jaar geleden de eerste Amerikaanse vrouwelijk bisschop was. Voor haar was deze vrouw een held. Tot het moment dat ze tot de ontdekking kwam dat deze vrouw ook een fanatiek aanhangster was van de Klu Klux Klan in Amerika en dus een die-hard racist. Haar eerste reactie was een afwijzing. Met deze vrouw wil ik niets meer te maken hebben. Totdat ze ontdekte dat dergelijke tegenstrijdigheden in veel mensen aanwezig zijn en dus ook in haar zelf. Dus wie was zij om deze vrouw te veroordelen en af te wijzen? Dat was het moment waarop zij jaarlijks, op de sterfdag van deze vrouwelijke bisschop, een kaars brandde bij haar in de kerk.

Terwijl ik dit boek las brandde in Nederland een discussie los rond racisme, met als middelpunt Johan Derksen.  Een omstreden figuur. Misschien ook wel een anti-held! De controverse ontstond over wat hij later zelf noemde “een slechte grap”. Johan Derksen is typisch een persoon waarom heen zich altijd wel een controverse ontwikkeld. Voor de een is hij een heilige, voor de ander een zondaar! Voor de een is hij een racist, voor de ander iemand die het vrije woord verdedigd. Voor weer iemand anders een ongevoelige weinig empathische, oude man.

Ik ben er van overtuigd dat hij geen racist is. Maar tegelijkertijd ben ik er ook van overtuigd dat ieder mens, wit en zwart, weleens een racistische gedachtegang tot zich heeft toegelaten. Ik ben er ook van overtuigd dat ieder mens weleens een slechte grap maakt, zelfs de mensen die er hun beroep van hebben gemaakt. En ik ben er ook van overtuigd dat de wereld indelen langs strikte scheidslijnen van heiligen en zondaars wel een erg gemakkelijke visie is, waarbij we onszelf graag bijvoorkeur indelen bij de groep heiligen.

Ik ga niet mee in deze gemakkelijke visie. Ik weiger Johan Derksen aan de schandpaal te nagelen. Ieder mens heeft het recht om een keer een slechte grap te maken, omdat in ieder mens een zondaar huist, maar zeker ook een heilige.

Exodus 3: 1 – 14

Traditie getrouw vieren we met Pinksteren de geboorte van de kerk. Veel mensen kwamen tot geloof. Zij spraken vol vuur over wat hen overkomen was. Maar we moeten ook maar even een misverstand uit de wereld helpen. Wanneer we de geboorte van de kerk vieren dan doelen we daarmee niet op de kerk zoals wij die vandaag de dag kennen. Die kende men in die tijd nog niet. Pinksteren is een Joods verhaal. De mensen, omdat ze tot geloof waren gekomen, werden niet allemaal onmiddellijk christen, omdat het christendom niet nog niet bestond. Wat er gebeurt zou zijn is dat men het levensverhaal van die merkwaardige man, Jezus van Nazareth, zo jammerlijk aan zijn einde gekomen, op waarde ging schatten. Hij ging de wereld in en hij zocht de mensen op die het minder goed getroffen hadden. De zieke, de vreemdelingen, de wezen en de weduwen. Hij bood hen hoop, hij gaf hen een gezicht, vertelde hen het verhaal van de bevrijding. Hij was vol vuur, vol passie over het lot van deze onbeschermde. Daarvoor instaan was voor hem het geloof, was voor hem de kerk van die tijd.

Het beeld van het vuur is dus symboliek en dat geldt ook voor het Bijbelverhaal van vandaag. Mozes wordt geconfronteerd met een wonderlijk natuurverschijnsel. Een struik die brandt maar niet verteerd. Dat wonder is niet de kern waar het met Pinksteren omdraait. De kern van Pinksteren zit in de vraag waar we met ons geloof naar toe willen. Met hemelvaart werden we met onze laarzen in de modder gezet. Hemelvaart bepaald ons bij wat er hier op aarde aan de hand is. En met Pinksteren moeten wij vanuit ons geloof de richting bepalen. Voor wie gaan wij door vuur en vlam en hoe gaan wij om met alles wat we om ons heen zien gebeuren. Alle vragen en onzekerheden, domheid en twijfel die bij ons zelf leven. Alle zieke en vreemdelingen, wezen en weduwen die op ons pad komen.

Mozes wordt al snel bepaald bij de gedachte dat dat vuur, wat die struik niet verbrandt, niet de kern is van het geloof. Ik ben de God van je Vader, van Abraham en Izaak en Jacob. Door zich op deze manier aan Mozes voor te stellen maakt God duidelijk dat deze niet zomaar een passant is, die toevallig voorbij komt. Maar deze is een god die door de generaties heen gaat. En zich dus voor langere tijd, voor eeuwig, aan de mensen verbindt.

Onmiddellijk daarna wordt helder waar de passie ligt van deze god. Waar deze voor door vuur en vlam gaat. Namelijk bij de mensen die het zwaar hebben. Die zuchten onder verdriet, ellende, uitbuiting en slavernij. Dat is zijn volk. Het volk van god is niet begrensd door slagbomen en door mensen vastgestelde grenzen van landen. Dat volk van god gaat over alle grenzen heen van zuid naar noord en van oost naar west. Deze god geeft aan Mozes heel nadrukkelijk aan dat hij de ellende van het volk gezien heeft.  Om dit “zien” van god draait het. Een mens krijgt een gezicht. Een mens krijgt een nieuwe toekomst, krijgt hoop doordat hij herkend wordt en in zijn lijden erkend wordt.  

Maar als je het dan ook gezien hebt, als je herkend wordt, als die hoop je geboden wordt, dan is de urgentie ook hoog. God heeft weinig tijd te verspillen. Mozes wordt er nú op uit gestuurd. Hij moet het volk leiden, voorgaan op de weg van de bevrijding. God wil voortvarend te werk gaan. Maar die voortvarendheid loopt vertraging op door de weigerachtigheid van Mozes. Het lijkt erop alsof hij niet wil. Wie ben ik dat ik naar de Farao ga?  Ik zal bij je zijn, zegt God. Maar dat overtuigt Mozes allerminst. En wat als ze mij niet geloven is het tweede bezwaar dat Mozes inbrengt.  Dan komt er ook nog een derde bezwaar achter aan; en als ik er dan ben, namens wie spreek ik dan? Wie moet ik zeggen dat mij heeft gestuurd?  “Ik zal er zijn” is mijn naam. Ik zal er zijn voor jou.  Ik zal er zijn doordat ik jou op pad stuur. Want deze god handelt altijd door mensen.

Het is dus niet zomaar een god, niet het opperwezen dat we op een troon kunnen plaatsen. Niet “het iets” wat we in model kunnen brengen zoals het ons toevallig op dat moment uit komt. Maar het is een god wiens naam betekent heel concreet; geen diensthuis, geen slavernij, geen onderdrukking. Het is een god die afdaalt om te bevrijden.

Wat voor een god is dat? Die kennen wij toch niet? Zoiets hebben we toch nog nooit meegemaakt. We kennen in de wereld, bij naam en toenaam, de mensen die zich goden wanen. Die gezeten op een hoge troon naar willekeur beschikken over mensen. Over leven en dood. We kennen die goden die zich laat toejuichen met vlaggenparades. Die hun macht tonen met wapengekletter en optochten met het nieuwste wapentuig. Maar een god die afdaalt? Die naast mensen gaat staan? Wat heeft zo’n god met ons voor? Wat kunnen we van zo’n god verwachten?

De god van Mozes, de god van Jezus  is een god die zich onderscheidt doordat deze een god van bevrijding is. Dat heeft hij met ons voor, dat kunnen we van hem verwachten. Een god die een passie heeft, die in vuur en vlam staat voor die mensen die het minder goed getroffen hebben in deze wereld.

Vandaag vieren we Pinksteren. De geboorte van de kerk. Maar met de geboorte van kerk worden we ook de wereld in gestuurd. Het gaat namelijk niet alleen om zingen en bidden en de lofzang. Met de geboorte van de kerk worden we vandaag de wereld in gestuurd om die God, die we ons maar moeilijk kunnen voorstellen, gestalte geven. Op weg naar de vrijheid. Amen.

Deuteronomium 6

Dat nooit weer, dat is wat we vaak horen in deze dagen. Dat nooit weer. Nooit geen oorlog meer. Nooit geen dictatuur meer. Nooit meer een tijd waarin mensen omwille van hun ras, hun geaardheid of hun politieke opvattingen worden weggevoerd en vermoord. Nooit meer een tijd dat concentratiekampen bestaan. Dat steden worden platgebombardeerd. Nooit meer een tijd van angst en achterdocht.  Een tijd waarin de grootheidswaanzin van een enkeling miljoenen de dood in kan jagen. Dat nooit weer.

De komende week gedenken we 75 jaar vrijheid. We staan stil bij wat die vrijheid ons heeft gebracht, we staan stil bij de mensen die uit de tijd zijn gegaan in de strijd tegen de dictatuur. We gedenken. Maar gedenken is niet alleen achterom kijken en tevreden zijn over wat we tot vandaag hebben bereikt. 75 jaar vrede, vrijheid en welvaart. Alle ingrediënten om inderdaad tevreden te zijn.

Uit de Bijbel kennen we de verhalen hoe het volk Israël werd bevrijd uit de slavernij en door de woestijn trok naar het beloofde land. Ze trokken weg uit het land des doods, onderweg naar het beloofde land. En tijdens die tocht ontvangt het volk de tien woorden. Woorden die gegeven worden om gezegend en vruchtbaar te kunnen samenleven. Het zijn woorden die voor eeuwig met het volk meegaan. Om hen er constant aan herinneren waar ze vandaan komen. Uit de slavernij en de onderdrukking. Het moet hen er aan herinneren dat ze bevrijd zijn door een God die een God is van vrede en vrijheid. Een God die hen wegleidt uit de chaos en de onderdrukking. Daar worden zij, door middel van deze tien woorden constant aan herinnert.

Het gaat echter niet alleen om het herinneren. Herinneren doen we als individu en de loop van de tijd kleurt ons herinneringen. De komende dagen gedenken wij en gedenken gaat een stap verder dan herinneren. Gedenken betekent namelijk dat de geschiedenis levend blijft van generatie op generatie. Dat is van het allergrootste belang. Als we vergeten waar we vandaan zijn gekomen en we kijken alleen nog maar naar waar we nu zijn dan zakt de herinnering weg in de verheerlijking van deze tijd. We hebben het kwaad toch overwonnen? Hoezo oorlog en dictatuur? Dat is iets uit een grijs verleden. We hebben een continent gebouwd vol welvaart en rijkdom. Nog een paar jaar en niemand van ons weet meer, uit eigen ervaring, wat het is om te leven in oorlog en dictatuur. 

In deze tijd van vrede en vrijheid en welvaart kan dit gegeven snel ontaarden in zelfgenoegzaamheid en relativering. Het vertroebelt ons zicht op wat er in de jaren 40-45 gebeurde en dat biedt mensen de gelegenheid om relativerende opmerkingen en vragen te stellen; was het allemaal zo slecht of zaten er ook goede kanten aan die dictatuur? Hebben sommige mensen het er niet zelf naar gemaakt, hadden ze niet beter hun mond kunnen houden? Relativering van zo iets groots en ingrijpends zet de deur op een kier naar recht praten wat krom was.

En tegelijkertijd onze tijd, vandaag, geeft geen enkele aanleiding tot zelfgenoegzaamheid. De werkelijkheid van vandaag is er een van sterke mannen die alle macht weer naar zich toe willen trekken. Van landen die de grenzen sluiten voor mensen, op hun tocht door de woestijn, gevlucht voor oorlog en onderdrukking. De werkelijkheid is dat wij kinderen laten verkommeren in uitzichtloze vluchtelingenkampen. De werkelijkheid is dat antisemitisme  nog steeds aanwezig is. Dat oordelen over kleur en geloof ons scheiden. Dat gelijkheid voor iedere sexuele voorkeur nog steeds geen gemeengoed is. Alleen al die werkelijkheid maakt het dringend noodzakelijk dat wij blijven gedenken.

Gedenken, hoe doen we dat?  Deuteronomium geeft daar bijna achteloos een antwoord op. Wanneer uw kinderen u later vragen, wat betekenen al die bepalingen en wetten en regels die de Heer onze God ons heeft voorgehouden?

Herinneren is veelal een individuele gebeurtenis, maar gedenken doe je door middel van dialoog, door middel van verhalen tussen de generaties. Het gesprek van vader op zoon, van moeder op dochter. Ieder jaar begint het Joodse Paasfeest met vier “waarom” vragen, gesteld door het jongste kind van de familie. Die vier vragen geven aanleiding om de oude verhalen ieder jaar weer opnieuw te vertellen. Tom Naastepad schreef het ooit zo op; “wij waren dienstknechten voor de Farao in Egypte. Maar de Heer heeft ons weggeleid uit dit land van de dood, met sterke hand. Hij gaf ons tekenen en wonderen, grote en kwade tegen Egypte, tegen de Farao en tegen het huis van de Farao. Dat deed Hij voor onze ogen. Hij deed ons uittrekken, vandaar, naar het beloofde land. Hij gebood ons om te blijven gedenken opdat het ons en de wereld zal gaan naar gerechtigheid, als wij bewaren al deze woorden”.  

Woorden waarin zoveel gezegd wordt als; tot vandaag ben ik jullie toekomst, mijn naam is hartstocht voor gerechtigheid. Ik ben een God van vrede en vrijheid. Ik heb jullie losgemaakt uit onderdrukking en chaos, niet om jullie vervolgens weer in die onderdrukking en chaos te laten vervallen. En daartoe zeg ik jullie; vertel elkaar de verhalen. Verhalen van toen die vandaag tot leven komen, die vandaag ons vernieuwen, keer op keer. Vrede en vrijheid is ons gegeven door deze Ene God, die ons uit angst en doem heeft weg getild. Vrijheid om met elkaar in vrijheid te leven. En om die vrijheid te bewaken, gedenken we, om te voorkomen dat we weer tot slaven worden gemaakt.

Psalm 46

Het is een hectische tijd, een verwarrende tijd. We willen graag dat dat datgene wat we nu meemaken zo snel mogelijk achter de rug is. We willen weer terug naar het normale. Maar we willen ook dat het virus dat de wereld op dit moment in de greep houdt zo snel mogelijk wordt ingedamd. En we verwachten van de overheid dat zij ons daarin beschermd. Dat zij maatregelen neemt die ten dienste staan van het volk en ervoor zorgen dat we niet nog verder in de ellende terecht komen. Maar het verwarrende is dat het volk begint te morren wanneer deze maatregelen te lang duren of te als te streng worden ervaren. En overal in de wereld zie je nu dat mensen beginnen te protesteren. Ook al zeggen alle deskundigen dat het toch het verstandigste is om deze maatregelen nog even vol te houden.

Maar uiteindelijk wil een mens terug naar de vrijheid. Hij wil zijn eigen leven kunnen invullen. Zelf bepalen waar en wanneer hij boodschappen doet. Waar hij naar toe gaat op vakantie. Zelf kunnen bepalen of hij wel of niet naar de kerk gaat. Ieder mens wil een ander mens kunnen ontmoeten, kunnen aanraken, kunnen knuffelen.

In deze verwarrende tijden wordt ons gevraagd om vertrouwen te hebben. Vertrouwen in de overheid, vertrouwen in deskundigen. Maar hoe langer het duurt, hoe minder vertrouwen  we lijken te hebben in hen en hoe meer we gaan vertrouwen op ons eigen onderbuik gevoel. De psalm die we lazen komt daar nog overheen,  die vraagt van ons mensen om ons vertrouwen te stellen op God

Deze psalm is beroemd geworden door Maarten Luther, de grote kerkhervormer. Hij, Maarten Luther, bivakkeerde in een vesting, een kasteel, de Wittenburg. Waar hij zich schuil hield voor zijn belagers. De macht van de kerk. Waar hij min of meer gevangen zat, beroofd van zijn vrijheid. Dat beeld van een vesting, van onaantastbaarheid, van een God als een burcht waar mensen bescherming kunnen vinden, waar mensen vertrouwen in kunnen hebben, dat beeld projecteerde hij op God. God als een vesting. Maar beeld het heeft daardoor ook iets ontoegankelijks. Wij in onze tijd verwachten van leiders empathie invoelingsvermogen. De zucht van toenmalig koningin Beatrix na de aanslag in Apeldoorn raakte ons allemaal diep. De zucht en de duivelse dilemma’s van Mark Rutte, zullen we niet snel vergeten. Wij verwachten in onze tijd dat leiders van een land begrijpen en voelen waarmee de mensen in het land worstelen. Dat de vragen en angsten van het volk, ook hun vragen en angsten zijn. Niet alleen in tijde van vreugde, maar juist in tijde van angst en onzekerheid.

Wat moeten wij met dat beeld vandaag dan nog van een onaantastbare god. Een god als vesting.  De mensheid is verstard onder angst en onzekerheid. Zouden wij geen angst kennen?  Overal over de wereld, ook in onze directe omgeving, kennen we de verhalen. En we kunnen het zien en horen, hoeveel angst en onzekerheid dat teweeg brengt. We zien het in de ogen van mensen en horen de machteloosheid in hun stem.

Wij willen graag een god zien die met ons meelijdt. Een god die met ons huilt. Die met ons lacht, die aan ons zijn kwetsbaarheid durft te tonen. En daarin een toevlucht is voor ons. Daar zit dan zijn kracht in. Niet in de afstandelijkheid. Die afstandelijkheid creëert eenzaamheid en een gevoel van alleen zijn.

Wat moeten we nu, vandaag in deze tijd met dit beeld van een God als vesting.  Af serveren? Als achterhaald beschouwen? Of is het beeld van God, de stem van de mens? Horen wij hier mensen aan het woord? Mensen in het verlangen naar sociale contacten. In het verlangen naar geborgenheid en aanraking. Mensen in het verlangen om weg te komen uit hun eenzaamheid. Mensen die woorden zoeken en beelden gebruiken die hen vertrouwen geven. En misschien zijn dat niet meer de beelden die wij vandaag nog zouden gebruiken, maar voor ieder mens geldt dat geborgenheid een diep gekoesterd verlangen is. Een verlangen waarin we God kunnen leren kennen, zoals deze in de Bijbel naar ons toekomt, als een god die met ons huilt, die er is op de plekken waar mensen vechten voor hun leven. Die er is in deze pandemie. Die nooit weg geweest is en ook nooit weg zal gaan.

Tomas de twijfelaar

Het is vandaag beloken Pasen. Het begin van het evangelie van vandaag doet ons sterk denken aan onze huidige situatie. De vrienden van Jezus durven de deur niet uit. Ze zijn bang voor de buitenwereld. En ze hebben geen idee hoe het nu verder moet, nu hun meester er niet meer is. Ze zijn bang voor de toekomst. Bang voor de buitenwereld sluiten ze zichzelf op.

Zoals in onze tijd ook veel mensen geen idee hebben hoe het nu verder moet.

In deze tijd zie je op allerlei, vooral christelijke websites, vrome praatjes verkondigd worden die gaan over de relatie tussen geloven of juist niet geloven en de pandemie waar wij nu middenin zitten. Deze website weten ons over het algemeen haarfijn te vertellen hoe het verder moet met de mens en de samenleving. Deze websites gaan niet zelden over het feit dat God met deze pandemie de mensheid zou willen straffen, omdat wij afgedwaald zouden zijn van het “ware” geloof. Zo moet het volgens hun dus verder. We moeten ons bekeren tot hun “ware” geloof en dan komt alles weer goed.

De vraag is wat dat ware geloof dan wel zou zijn. In dat beeld van het “ware” geloof past Tomas vanmorgen in ieder geval niet. Hij wordt niet voor niets aangeduid als de “ongelovige Thomas”.  

Hij was er niet bij met de eerste ontmoeting van Jezus met zijn vrienden. Zonder opgave van reden liet hij verstek gaan. Dat hij niet onmiddellijk aanneemt wat andere vertellen, geeft ons blijkbaar een argument om hem als ongelovig te bestempelen.  Maar uit niets blijkt dat hij daadwerkelijk ongelovig is, wat andere ook van hem zeggen.

Geloven in tijden van onzekerheid en machteloosheid is niet alles wat erover God gezegd wordt maar zoete koek aannemen. Eerder zou je Thomas misschien een twijfelaar kunnen noemen, wat zijn naam verraad. En daarin is niets menselijks hem vreemd. Daarin staat hij dichter bij ons dan wij denken. Wie van ons neemt altijd klakkeloos aan wat andere zeggen? Wie van ons twijfelt er niet met de regelmaat aan zijn geloof. niet voor niets komt juist nu bij mensen vaak de vraag naar boven; waar is God? Wie twijfelt er vandaag de dag niet aan de opstanding, als ziekte en dood het beeld van de dag bepaald. Wie van ons zou het prettig vinden als je daarom een ongelovige genoemd zou worden, die vandaag door middel van deze pandemie door God op zijn nummer wordt gezet.  Een twijfelaar hoeft zeker niet ongelovig te zijn.

Wij weten allemaal dat het leven niet eenzijdig is. Het draagt altijd de tweezijdigheid van Thomas in zich. Van twijfel, van geloof en ongeloof. Van dood en opstanding. De vraag is alleen hoe wij met die tweezijdigheid omgaan. Hoe gaan wij om met deze tijd, een tijd van angst, maar tegelijkertijd wordt ons gevraagd om ook hoop te blijven houden. Laten we ons er door verlammen door de angst of is het juist iets wat ons scherp maakt. Ons bewust maakt van onze kwetsbaarheid. Wat ons ook bevrijdt van een leven op de automatische piloot? Ons bevrijdt van verstikkende vanzelfsprekendheden?

Thomas wordt aangesproken. Er klinken geen verwijten. Hij wordt niet aangesproken op dat wat hij niet heeft gedaan. Hij wordt niet afgewezen, niet terecht gewezen omdat hij er niet was. Eerder wordt hij tegemoet getreden met de liefde voor iedereen die vol twijfel en angst en onzekerheid door het leven gaat.

Breng uw hand hier en zie mijn hand. De hand die gerechtigheid heeft gedaan. De hand die heeft gezegend. De hand die doden heeft opgewekt. Breng uw hand en leg die in mijn zij. De plaats waar de verwoesting is geëindigd, waar de overgave werd bevestigd en het verzet tegen de dood is begonnen. Wordt gelovig klinkt het. Thomas wordt gewezen op de plekken die alles te maken hebben met leven en dood. Met het kruis en de opstanding. Het zou eerder, juist in deze tijd, ongelovig zijn om daar aan voorbij te gaan. Om voorbij te gaan aan de mensen die lijden, die vechten voor ander mans leven. Die vechten voor hun eigen leven. Het zou ongelovig om voorbij te gaan aan de mensen die hun tijden in eenzaamheid en afzondering moeten doorbrengen. Het zou ongelovig zijn om voorbij te gaan aan de armste der armste, de vluchteling en daklozen, voor wie geen bescherming voorhanden is. Het zou ongelovig zijn om voorbij te gaan aan de gezegende en aan de gekruisigde. Aan de levende en de dode. Geloven is, na Pasen, in verzet blijven tegen alles en iedereen die zich bevindt in de macht van de dood. Geloven is, na Pasen, iedereen vol angst en twijfel en onzekerheid met liefde tegemoet treden.

Wordt gelovig! Daar past maar een geloofsbelijdenis op;  “mijn Heer, mijn god”. Niet meer en niet minder. Een geloofsbelijdenis als antwoord op onze vragen en twijfels van het leven. Niet “onze Heer en onze god” klinkt het. Dan zouden andere moeten voldoen aan ons beeld van geloven. “Mijn Heer, mijn god” dat laat alle ruimte voor mensen vol angst en twijfel en onzekerheid over de toekomst. Dat laat alle ruimte om niet te oordelen, geen claim te leggen om wat wij denken dat god zou willen.  Dat laat alle ruimte om te kunnen zeggen; “ik weet het soms ook even niet”. Maar kan ik iets voor je doen?