Daniel 3: 16 – 26

Ik moest deze week “Charlie” zijn. Zo werd mij wereldwijd min of meer opgedragen. Want iedereen was plotseling uit solidariteit “Charlie”! En gek genoeg voelde ik me daar niet erg prettig bij. Maar tegelijkertijd betrapte ik mezelf erop dat ik het niet eens echt hardop durfde te zeggen, dat ik me niet “Charlie” voelde. Bang om misschien te worden beticht van een sympathie voor de daders of dat ik het beeld zou willen oproepen van; “eigen schuld, dikke bult”. Want iedereen voelde zich toch plotseling “Charlie”. Zelfs de mensen die nog nooit van “Charlie” gehoord hadden. Er ontstond een in mijn ogen kritiekloze massabeweging die plotseling zijn eigen “waarheid” aan de wereld opdrong. 

Vrijheid van meningsuiting is een groot goed in de rechtstaat. Daar is onze rechtstaat op gebouwd. Maar de reden waarom ik mij ongemakkelijk voelde bij het feit dat mij, door de massa, werd opgedrongen dat ik mij “Charlie” moest voelen, was de vraag die ik mezelf stelde of er ook grenzen zijn aan die vrijheid van meningsuiting. Waar gaat het hebben van een mening over in het opdringen van jouw mening aan een ander en waar gaat het hebben van een mening over in het bewust beledigen en kwetsen van groepen mensen? Gaan we toe naar een samenleving waarin we inderdaad, zonder enige vorm van terughoudendheid, alles mogen zeggen wat we denken? En waar toe zou dat dan dienen, als we ongehinderd mogen zeggen wat we denken, als we ongehinderd mensen mogen beledigen en kwetsen? Zijn we daarmee, onverhuld, niet bezig om aan de ander onze maatschappijvisie op te leggen? Namelijk dat een God, een profeet, dat een religie, toch maar een achterlijk fenomeen is. Gaan we daarmee niet, onverschrokken, voorbij aan de oprechte gevoelens van gekwetstheid die mensen kunnen ervaren? En doen we daarmee zoveel anders, als wat we de ander verwijten? 

Ik zei het al in de inleiding, ik had dit Bijbelgedeelte al gekozen om over te spreken en er ook al het nodige werk aan verricht, voordat de gebeurtenissen in Parijs de wereld schokte. Want ondanks dat ik me niet “Charlie” voelde, ondanks dat ik mijn eigen vragen heb bij de vrijheid van meningsuiting, was het schokkend wat er gebeurde. Het was schokkend omdat onschuldige mensen in de morgen niets vermoedend afscheid namen van hun geliefde, om naar hun werk te gaan, niet konden bevroeden dat ze deze nooit meer terug zouden zien, omdat een paar fanatici het op hen gemunt hadden. Maar ook hier past een kleine voorzichtige relativering. De afgelopen periode, zijn er doordat zelfde religieuze geweld, om dezelfde religieuze redenen, door dezelfde religieuze fanatici honderden, zo niet duizenden, onschuldige mensen vermoord in het Midden Oosten. En we voelde ons geen “Charlie”! Het is iedere keer schokkend omdat, zoals zo vaak al in de geschiedenis, steeds het bewijs wordt geleverd dat religie en geweld door die fanatici steeds weer aan elkaar worden gekoppeld. En dan gaat het vrijwel altijd over de macht van de religie. Over de wil van mensen om hun religie aan anderen op te dringen. 

In de voorlezing uit de Bijbel zien we dat zelfde beeld en realiseren we ons hoe oud dat mechanisme al is. Als Nebukadnesar zo’n 600 jaar voor Christus probeert aan het Joodse volk zijn religie op te dringen, omwille van de macht. Omwille van zijn macht. Een macht die mensen kwetst en vernederd. Een macht die mensen bindt en uitschakelt. Het is ontluisterend om te lezen, vandaag, dat ook toen al religie werd gebruikt als machtsmiddel om mensen te onderdrukken en te vermoorden. 

De drie mannen; Sadrach, Mesach en Abednego staan symbool voor een tegenbeweging. “Wij zullen uw goden niet vereren, de goden van onderdrukking en geweld zullen wij niet dienen, wij zullen niet buigen voor het beeld van machtsvertoon, dat u hebt opgericht. Ook al zou onze God ons niet redden”. Dat klinkt naïef van deze drie mannen. Want waarom zou je je eigen leven niet redden? Wat kan het voor kwaad als je buigt voor dat gouden beeld en daarmee je eigen leven redt. 

Lijkt het er nu op dat ze als fundamentalisten zouden willen sterven in het harnas? Wat is het verschil om, omwille van je geloof, bewust de dood te zoeken in een regen van kogels uit politiegeweren of de “oven van de dood” in te stappen? 

Er is wel een groot verschil. Deze drie mannen staan voor een God die bevrijdt. Voor een God wiens naam ”Liefde” is. Zij staan voor een God die met mensen huilt wanneer zijn Naam omwille van de macht van een religie, wordt misbruikt. 

Ook wanneer Gods bevrijdende macht zich niet aan hen zou openbaren, zullen zij blijven volharden in het geloof, dat geloof nooit aan andere mensen kan worden opgelegd door middel van beelden, geweld en onderdrukking. En mocht God ons niet redden, zeggen ze, dan houdt hij daarmee niet op om onze God te zijn. 

Daarin toont zich het groot verschil met de god die Nebukadnesar heeft opgericht. Dat is de god van Babel die mensen, onthoofd, vermoord en misbruikt en zonodig laat vallen, als het hem beter uitkomt. Daar staat een God tegenover die in de vlammen mensen bevrijdt van hun knevels, die in de vlammen zijn Geest laat zien, waar zelfs een Nebukadnesar van onder de indruk raakt.

Sadrach, Mesach en Abednego geven ons vandaag de moed om de naam van die God te laten klinken. Geven ons de moed om vrijuit te bidden. Om de zachtmoedigheid te spreken. Om de weg van haat en uitsluiting, de weg van belediging en kwetsen, de weg van moord en geweld, niet op te gaan. Maar juist de weg van verdraagzaamheid en de liefde te laten zien.