Genesis 32: 22 – 31

Jacob aan de JabbokLaten we ons vanmorgen eens proberen in te leven in het leven van Jacob. Bepaald geen held. Een mens met gebreken. Zijn leven is niet verlopen zoals een mens zich dat van te voren voorstelt. Bedrog was zijn manier geworden om door het leven te gaan. Zijn broer, zijn vader, ze kunnen er alles over vertellen. Tegelijkertijd een moeders-kind. Die tot in zijn volwassenheid hing aan de rok van zijn moeder. Over het algemeen worden dat soort mannen niet de meest sympathieke mannen gevonden. Het is dan ook niet raar dat hij uiteindelijk in eenzame ballingschap terecht komt. Ver weg van zijn Vaderland! En het ligt in de lijn van zijn leven dat hij uiteindelijk zelf wordt bedrogen. Jacob is zo’n type man die over het algemeen weinig sympathie oproept.

Vandaag komt er een einde aan zijn ballingschap, op hoop van zegen. Een einde maken aan een ballingschap gaat nooit zonder slag of stoot. Een einde maken aan gevangenschap brengt altijd een worsteling met zich mee. En vandaag wacht hem die confrontatie. En als je de afloop van de geschiedenis niet al zou kennen en hij zou je nu verteld worden, dan is er maar een confrontatie mogelijk. Namelijk die met Esau. Zijn vader en moeder zijn al lang dood. De enige bloedverwant die er nog is, is zijn broer: Esau. Jacob probeert hem te paaien, met cadeaus, met geschenken; kleinvee, runderen, kamelen.

Lafaard!

Zijn vrouwen en kinderen en slavinnen stuurt hij voor zich uit. Als een buffer tussen hem en Esau. Probeert hij zonder slag of stoot, ten koste van anderen, zijn eigen ziel te redden? Is dat het laatste restantje van de Jacob, zoals we hem kennen? De man die geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen daden, maar andere er tussen schuift, om zelf buiten schot te blijven? Zoals het steeds zijn moeder was die hem, in zijn jeugd, redde.

In volstrekte eenzaamheid blijft hij achter aan de overzijde van de rivier de Jabbok. Die rivier wordt het symbool van de oversteek die Jacob die in zichzelf moet maken. Vluchten kan niet meer, ik zou niet weten hoe. Vluchten kan niet meer, ik zou niet weten waar naar toe. Achteruit is geen optie, want dat betekent terug in gevangenschap en ballingschap. En vooruit; daar ligt in de nacht die donkere rivier. Die donkere rivier die zijn naam ontleedt aan het werkwoord; vechten! De Jabbok is een rivier waar wordt gevochten. Een grensrivier. Symbolisch voor de positie waarin Jacob zich bevindt. Hij moet een grens over om zichzelf vrij te maken.

Jacob wacht de donkere nacht van de ziel. Alles en iedereen is aan de overzijde. Hij is alleen! Hij kan geen vraag meer ontlopen. Wie ben ik? Waar wil ik naar toe? Ik heb de wereld gewonnen, maar ten koste van wie en wat? Jacob zal het gevecht moeten aangaan.

Maar met wie vecht Jacob? Dat blijft volstrekt onduidelijk. Iemand!, zegt de Bijbel! Wie is die iemand? Vecht Jacob met zichzelf? Met God? Met Esau? We worden het niet gewaar? En de vraag is ook of het belangrijk is om te weten met wie Jacob vecht? Zouden we er gelukkiger van worden als we precies zouden weten met wie dat gevecht gevoerd wordt? Zouden we ons niet meer moeten concentreren op de uitkomst van het gevecht en de gevolgen daarvan voor Jacob?

De gevolgen zijn groot. Want hij komt er niet ongeschonden uit. Hij wordt hard onder de gordel geraakt. Dat wil zeggen; in zijn potentie, bij de heup, de plaats van zijn zaad, dus van zijn nageslacht Hij wordt geraakt in zijn nakomenschap. In zijn eigen toekomst. Het gevecht zal zijn eigen toekomst bepalen. Een gevecht om het leven, een gevecht om de toekomst, een gevecht om vrijheid, daar komt een mens, daar komt een volk, nooit volledig ongeschonden uit. Vooral dat laatste is belangrijk. Want in Jacob heeft het volk Israël zichzelf uitgebeeld als een volk dat strijd met God en met mensen. Dat worstelt met de vraag naar de zin van het bestaan, op zoek naar een nieuw leven!

Hoe hard het gevecht ook is, hoe lang het ook duurt, tot aan de dageraad, een ding is wel duidelijk, uit het gevecht komt nooit geen overwinnaar voort. Dat wil niet zeggen dat het alleen maar verliezers zijn. Als er dan toch een overwinnaar genoemd moet worden, zou het Jacob zelf kunnen zijn, die zichzelf overwint. Die zichzelf opnieuw uitvindt.

Wie ben je, wordt hem gevraagd. Was het niet eerder zijn vader, die hem deze vraag ook had gesteld. En weten we nog wat Jacob antwoordde op de vraag van Isaak; “ben je echt mijn zoon Esau?” En nu, op het kantelpunt van zijn leven, wordt deze vraag opnieuw aan hem gesteld. Wie ben je ? De wereld houd zijn adem in. Wat zal Jacob zeggen? Zal hij doorgaan op de weg die zijn leven zo kenmerkte; list en bedrog? Of zal hij stoppen met liegen?

Wie ben jij eigenlijk?

Ik ben Jacob!

Een bevrijdende biecht in drie woorden. Ik ben Jacob! Hij geeft zich niet langer over aan list en bedrog. Als hij vrij wil zijn, moet hij stoppen met liegen. Kleur bekennen! Nooit meer liegen!

Dat levert Jacob uiteindelijk het hoogste op wat een mens maar kan ontvangen; de zegen! Het einde, maar ook het hoogtepunt, van iedere eredienst! Een gezegend leven! Niet als Jacob, dat is passé, maar als Israël. Omdat daar aan de oever van de rivier, zijn nieuwe toekomst begon!

En dan klinkt nu het Amen!

Of toch niet? Blijkt toch weer die prangende vraag weer op te spelen. Met wie vocht Jacob? Zeg me uw naam?

Waarom vraag je naar mijn naam? Ik ben wie ik ben! Voor Jacob blijkt die Iemand!, God te zijn. Aan de oever van de rivier, die zijn naam ontleent aan het werkwoord vechten, is Jacob er van overtuigd dat hij oog in oog heeft gestaan met God. God gebeurt in het gevecht van mensen om een nieuwe toekomst, in het gevecht van mensen om vrijheid. God gebeurt in het oversteken van de grensrivier, naamloos. Maar wel met zijn zegen.