Genesis 7: 1 – 16

Het is een bizar verhaal wat ons vanmorgen wordt verteld. Gelukkig is het geen geschiedenisverhaal, maar een geloofsverhaal. In deze vorm en op deze wijze mogen we niet aannemen dat het ooit gebeurd is. Maar dat hoeft ons geloof in dit verhaal niet in de weg te staan.

Annie Mg Schmidt doet er luchtig over en ook enigszins ironisch, als zij verteld hoe de dieren zich in de ark begaven. Hoe snel en hoe langzaam dat soms ging. Maar achter dat proces schuilt een bizar verhaal, omdat er een massamoord wordt voorbereid. Een massamoord in de naam van wat wij god zijn gaan noemen. Een massamoord niet om ideologische redenen, zoals er in de geschiedenis tot op vandaag veel massamoorden plaatsvinden in naam van een religie of een politiek. Er wordt een massamoord voorbereid om onduidelijke reden. Een stuk eerder dan wij gelezen hebben staat dat “alle mensen op aarde slecht zijn”. En wat ze uitdachten was even slecht! Echt waar? Alle mensen op aarde waren slecht? Er was blijkbaar geen goed mens meer te vinden? Niemand meer die zich bekommerde om een ander? Niemand meer die werkte aan de gerechtigheid? Niemand meer die streefde naar de vrede? Dat kunnen we toch niet geloven? Of moeten we dit maar zien als een vorm van overdrijving? Hoe het ook zij, blijkbaar alleen Noach kan in dit verhaal de toets der kritiek doorstaan. Maar voor de rest was er niemand meer goed, als we het verhaal mogen geloven. En dat is blijkbaar reden genoeg om de vrijwel gehele mensheid te vernietigen.

Dan blijft natuurlijk de vraag waarom ooit iemand dit verhaal heeft opgeschreven. Met deze gruwelijke afloop. Maar ook met een nauwgezette beschrijving over het bouwen van een boot. En over de ironie die dat in de omgeving oproept. Dan moet er toch iets gebeurd zijn wat voor de schrijver niet te bevatten was, in zijn voor die tijd beperkte wereld. Een voor hem of haar rampzalige gebeurtenis die werd toegeschreven aan een buitenaardse macht, wat dan god genoemd werd. En dat de verteller dat dan probeert te verklaren. Dat wat god genoemd wordt zal wel boos zijn op ons. De ramp die ons overkomt zal wel onze eigen schuld zijn, want er is geen goed mens meer op deze aarde. En dan is er blijkbaar een god die zich het recht toe-eigent om ons daarvoor te straffen. En dat de verteller probeerde een verklaring te vinden voor het feit dat toch niet de gehele mensheid was vergaan. Dat moet dan toch ook in handen liggen van iets wat god is. Iets wat boven de menselijke macht en denken uitgaat. Maar dat zou betekenen dat we hier met een god te maken hebben die naar willekeur mensen en dieren kan doden en mens en dier kan redden. Het is aan ieder de vraag of je in zo’n god wilt geloven.

Dat is niet zo’n gekke vraag. Vandaag de dag kom je ook mensen tegen die oprecht geloven dat god dit met mensen kan doen. Dat god naar willekeur mensen kan laten sterven, maar ook mensen kan laten leven. Dat is ook wat het verhaal ons laat zien. Twee kanten van een god. Een god die vernietigd en een god die redt.

Dat kan leiden tot een paradox. Welke god wil ik nu geloven, als ze in één vertegenwoordigd zijn. Als je voor de een kiest, krijg je de ander er gratis bij. Misschien moeten we het verhaal maar definitief loskoppelen van god en van de rol van god in het verhaal. En ons concentreren op wat er nu precies gebeurde in het verhaal en hoe wij ons kunnen herkennen in dit verhaal. Dan kunnen we ons misschien beter bedenken dat het ons allemaal ook kan overkomen, dat een vloed ons leven overspoeld. Een vloed van verdriet om verloren liefdes, om gestorven ouders, om een orkaan van geweld, om een nietsontziende natuurmacht. En dat dat niet de verantwoordelijkheid is van god. Alhoewel het wel veroorzaakt kan worden, door iets waar wij geen invloed op hebben. Iets wat buiten onze kracht en macht ligt om het te voorkomen. Iets waarvan wij ons vandaag misschien wel kunnen voorstellen dat mensen dat vroeger, met een beperkte kennis van wetenschap en techniek, toeschreven aan god.

Maar veel mensen weten vandaag best wel dat een vloed ons kan overkomen, zonder dat direct aan god te koppelen, waardoor het lijkt alsof ons leven verzinkt in een peilloze diepte. Een periode waarin ons leven terecht is gekomen in een ziedende storm. Niets is meer zeker, niets is meer heilig. En het enige wat je nog kunt doen is vertrouwen op je eigen intuïtie. Op je eigen gevoel. Ook al gaat dat lijnrecht in tegen het gevoel dat andere mensen zouden weten wat je moet doen. Ook al gaat lijnrecht in tegen het idee van andere mensen die vinden dat je gek geworden bent. Maar niemand kan een ander verbieden om zijn eigen ark te bouwen. Niemand heeft recht om een ander voor gek te verklaren als deze bouwt aan zijn eigen redding, ook al is voor de buitenwereld de vloed nog lang niet zichtbaar. Ook al snapt niemand waar je mee bezig bent. Maar iedereen begrijpt heel goed dat als die vloed er dan daadwerkelijk is, dan is het voor ieder mens prettig, dat je een ark krijgt aangereikt. Een ark in de vorm van een boot. Maar het kan evengoed een ark zijn in de vorm van een mens. Iemand die jou loodst door de storm van het leven, die zorgt dat je niet verdrinkt in je problemen. Dat het leven, dat jouw leven, kan doorgaan als het water gaat zakken en de storm is gaan liggen.

De redding is nabij als de deur gesloten wordt. Vertrouw er maar op dat het nu goed gaat komen. Je bent nu geborgen. De deur wordt gesloten, als een liefdevolle moeder die het kind onderdekt in de dekens en het toefluistert; het komt goed. Je bent veilig. Ik blijf vannacht bij je. Als we veilig zijn tegen het vliedende water. Als, hoe eenzaam we ons misschien ook kunnen voelen, het gevoel hebben dat het uiteindelijk allemaal goed gaat komen, terwijl we dat van te voren niet hadden durven hopen, dan is er altijd de hoop dat het goed gaat komen, dat er een nieuw leven kan beginnen. Dat maakt dit verhaal uiteindelijk tot een geloofsverhaal en geen geschiedenisverhaal. Want als er hoop is op een nieuw leven, is er sprake van geloof.

liturgie grolloo 19 februari 2017

DE ARK

Daar gaan ze dan! Daar gaan ze dan!
De leeuwe-vrouw, de leeuwe-man,
te zamen in de ark.
Twee schapen en twee kangaroes
en ook een poes. En nog een poes,
twee hertjes uit het park,
het stroomt van alle kanten.
Ziedaar de olifanten.

Twee beertjes en twee bevertjes,
twee kleine rode kevertjes,
twee paardjes en twee koetjes,
twee wespen en twee wezeltjes,
twee aapjes en twee ezeltjes
met pasgewassen voetjes,
en veertien duizendpoten
zijn bezig om te loten.

Eén kaasmijt is er maar helaas.
Zijn vrouw bleef achter in de kaas,
ze kon er niet van scheiden.
Maar Noach zegt: In dat geval,
breng haar maar mee met kaas en al!
Daar komen met z’n beiden
de luipaard, met veel herrie,
en naast hem de luimerrie.

Daar is de vos, met juffrouw vos
en nu vooruit, de kabels los!
O nee, eerst nog de spinnen!
Daar komt de sprinkhaan, en ernaast
de sprinkhen met een reuzehaast.
Ze huppelen naar binnen.
En kijk, het ene tijgertje
speelt met het and’re krijgertje.

Ziezo, doe nou de deur maar dicht,
zo roepen, met een zuur gezicht,
de wandelende takken.
Maar als de ark een eindje vaart,
dan zegt het grote witte paard:
O hemeltje! De slakken!
Kijk, ginder, in de verte!
Terug! roepen de herten.

Het duurt nog ruim een uur of vier,
dan zijn de slakken eindlijk hier.
Hoera, hoera, jubelt de mol.
De ark gaat weg! De ark is vol!
en al de visjes in de zee
zwemmen nog kilometers mee.                         
Annie Mg Schmidt