Genesis 8: 6 – 13

Als je aan veel mensen zou vragen welk dier ze zouden willen zijn, dan zou het mij niet verbazen als de meeste, de vogel, zouden noemen. De vogel, zijn zweeftochten door het luchtruim doen ons denken aan vrijheid en versterken ons verlangen naar het onbekende. De vele vergezichten. Zo vrij zijn als een vogel. Wie zou het niet willen.  In onze christelijke traditie is de vogel ook geworden tot het symbool van hoop en vrijheid. De vogel staat voor de bevrijding uit chaos en gevangenschap. Voor nieuw leven, nieuwe kansen.

Dat beeld is mede ontstaan door het verhaal van vanmorgen. De aarde is gedompeld in chaos en de vloed dreigt alles vernietigen.  De laatste restjes mensheid zitten letterlijk en figuurlijk gevangen in een schip, op het water dat hen heeft overspoeld. Het menselijk leven driegt op te houden met bestaan.  Er is een einde gekomen aan de vrijheid. De enige hoop die er is, is dat het water tijdig gaat zakken. En daarmee de vrijheid herwonnen wordt.

Maar het terugwinnen van die vrijheid, de tekenen, de signalen daarvan, die zijn in het verhaal gek genoeg niet toebedeeld aan de mensheid. Het lijkt wel of de mens niet in staat om die tekenen te herkennen. De signalen van die nieuw te herwinnen die worden uitgebeeld in de vogels. In het verhaal van vanmorgen zijn dat de raaf en de duif. Dit verhaal van de zondvloed is geen geschiedenisverhaal. Is eerder een verhaal dat symbool staat voor alles wat het menselijk leven kan vernietigen. Oorlog, honger, geweld, uitbuiting, verkrachting, mishandeling, gevangenschap. Onze eigen depressies, onze eigen angsten en twijfels. Het zijn ervaringen die vaak gepaard gaan met momenten van somberte. Diepe neerslachtigheid en uitzichtloosheid. En wie kent ze niet. Die momenten van somberte. Dat gevoel van uitzichtloosheid. Dat gevoel kan soms zo diep zijn, dat mensen ook niet meer kunnen genieten van het gezang van de lijster in de morgen.

De vogel staat symbool voor de vrijheid. De vrijheid die ieder mens wenst in zijn eigen leven, in zijn hoofd, in zijn lichaam, in zijn relaties, in de samenleving. Alles wat een mens gevangen houd beperkt zijn mens-zijn, zijn functioneren. We hebben het misschien allemaal weleens gedaan. Wandelend op het strand, kijkend en verlangend naar de hemel, dromend over de vrijheid. Weg uit onze eigen gevangenschap. Hoe begrijpelijk dat verlangen ook is, moeten we ons ook blijven realiseren dat vrijheid ook altijd maar een beperkt begrip is. Absolute vrijheid bestaat niet. Als we het al zouden willen! Want de vrijheid van de een, kan de onvrijheid van de ander betekenen. Absolute vrijheid voor iedereen legitimeert de macht van de sterkste.

Die dubbelheid van een begrip als vrijheid maakt het lied van “over de muur” heel duidelijk zichtbaar. De muur is dat wat ons gevangen houdt. De ene kant van de muur kijkt naar de andere kant en zegt; “je bent gevangen, je leeft letterlijk tussen vier muren. Je zegt wel te leven in een heilstaat, maar wat is die waard, als je iedere dag  het risico loopt om doodgeschoten te worden”.  De andere kant kijkt terug en zal onmiddellijk erkennen dat het waar is, maar stelt ook de vraag; wat is jouw vrijheid, met jouw keuze tussen porno en peepshow, terwijl je geen baan hebt en geen huis”?

De vogel symboliseert die tweeslachtigheid. Enerzijds de vrijheid, vliegen van oost- naar West-Berlijn, kunnen kiezen tussen porno of peepshow, weten we ook dat de vogel een kwetsbaar dier is. Dodelijk geklemd in de klauwen van het roofdier, symbool van gevangenschap en doodsgevaar.  Dat zegt tegelijkertijd dat onze vrijheid kwetsbaar is. Het kan ons, in de samenleving, maar zeker ook in ons eigen persoonlijke leven, worden afgenomen. Zonder dat  we ons direct van dat proces bewust zijn. Niet zelden is het een langzaam, voortsluipend langdurig proces van afhankelijkheid. Veertig dagen zegt het verhaal, duurde de vloed. Een mensenleven lang. De uitzichtloosheid. We realiseren het ons pas als we gevangen zitten. En dan weten we ook; de terugweg een weg is van lange adem.

Iedere dominee, iedere psychiater, iedere psycholoog weet je te vertellen dat dat een proces van geleidelijkheid is. Zo geleidelijk als het water steeg, tot aan de lippen, zo geleidelijk moet het ook weer zakken. De raaf is daar het symbool van. De raaf blijft maar heen en weer vliegen, steeds weer terugkeren en uitgaan. Met het heen en weer vliegen wordt het geleidelijk zakken van het water gesymboliseerd. Want zodra het water zakt, verdwijnt de raaf uit beeld. Dan moet er iets anders gebeuren. Dan moet er gezocht worden naar tekenen van nieuw leven. De duif wordt uitgezonden. Geen ander dier is beter geschikt om dit vast te stellen dan de duif. Omdat deze vogel zich het meest thuis voelt in een omgeving waar mensen wonen. Uiteindelijk is zij het die land vindt. Het bewijs dat er een toekomst in vrijheid mogelijk is, midden tussen dat verwoeste leven. Misschien niet meer op dezelfde wijze en met de dezelfde mensen, want de chaos veranderd een mensenleven. Er moeten nieuwe omgangsvormen gezocht worden. Maar voor het zover is, de vrijheid opnieuw gevonden, vliegt ze twee keer tevergeefs. De duif is het symbool geworden van hoop. Het lukte niet meteen de eerste keer en de tweede keer ook nog niet. Maar de duif bleef gaan. Tot drie keer toe ondernam ze de vlucht over het water, klapwiekend, speurend naar vaste grond onder de voeten.

Wanneer we deze week de vrijheid herdenken zou het goed zijn als we daarbij stil zouden staan. We hebben inderdaad weer vaste grond onder de voeten gekregen, de chaos is verdwenen. Verdwenen is de dictatuur, verdwenen is de gevangenschap. De raaf en de duif laten zien dat de gevangen mens figuurlijk en letterlijk weer de ruimte krijgt. De vrijheid hervindt. Maar beide laten ook zien hoe kwetsbaar de vrijheid is. Hoe snel zij gevangen kan raken in de klauwen van een roofdier.

De zondvloed dreigt, gromt en doet de mens ogenschijnlijk ondergaan. Maar de chaos is niet het laatste. Er breekt een nieuw begin aan. Dat nieuwe begin wordt aangekondigd door de duif. Die gaat op zoek en vindt nieuwe levensruimte.

Liturgie 29 april 2018