Habakuk 3: 16 – 19

dopen1Overweging Pepergasthuiskerk zondag 21 september 2014.  Doopdienst van Lilly Caecilia Noorlander.
Habakuk 3: 16- 19.  Gerechtigheid . Teken van hoop.
Ik vermoed dat er vanmorgen hier maar weinig mensen zijn die de afgelopen periode Habakuk hebben gelezen. Habakuk behoort tot een van die “vergeten” profeten in de kerk. Wordt zelden of nooit gelezen. Staat niet op kerkelijke leesroosters. Behoort niet tot de lezingencyclus tijdens hoogtijdagen. Habakuk lezen lijkt meer iets geworden voor theologische hobbyisten.
 We moeten deze man geschiedkundig plaatsen zo ongeveer 600 jaar voor Christus. Uitbuiting, onderdrukking en corruptie tieren welig in het Babylonische volk, dat het volk Israël onderdrukt. Zoals we die ook zien bij de andere profeten. Toch is Habakuk is een ander soort profeet dan die andere kleine profeten. Hij begint namelijk heel persoonlijk. Hij begint met zijn eigen wanhoop. “hoelang nog Heer, moet ik om hulp roepen en luistert u niet”, moet ik geweld roepen en brengt u geen redding”. Het zijn de wanhoopskreten van een mens die geen toekomst meer ziet voor zichzelf en voor zijn eigen volk. Die geen flauw idee heeft hoe het nu verder moet. Het zijn de wanhoopskreten van mensen die het gevoel hebben dat ze van god en alleman verlaten zijn.
Daarnaast is Habakuk geen profeet die het volk oproept tot bekering, zoals we dat wel zien bij Micha en Amos. Habakuk is eerder een soort Job, die zijn weeklagen rechtstreeks richt tot de Eeuwige. Soms met harde woorden, maar soms ook heel even, mooi poëtisch zacht.  Bij de Eeuwige legt hij al zijn grieven neer, daar verwacht hij de redding van. Maar goed de Eeuwige is er ook niet vies van om in dergelijke situaties de druk nog eens flink op te voeren. “Sorry Habakuk, je bent een aardige vent, maar ik zeg je, het zal eerst allemaal nog veel erger worden”.  En dan somt de Eeuwige vervolgens op wat er allemaal nog erger zal worden………
Maar aan het eind van het boek, het gedeelte dat wij lazen, zou je kunnen zeggen, niet te geloven: dat onvoorwaardelijke vertrouwen van Habakuk! “Al wordt het allemaal niets meer met de vijgeboom en de
wijnstok en de olijfboom, al is er geen  koren, geen schaap meer op het land, geen rund meer in de stal en tóch zal  ik juichen voor de HEER!”. Je zou het ook anders kunnen zeggen; al was m’n bankrekening leeg, al
raakte ik m’n werk kwijt, al had ik grote zorgen om mijn kinderen, al had ik geen vrienden meer om me heen, geen goede gezondheid, geen mooie vakantie…………… en tóch zal ik juichen voor de HEER, jubelen voor de God die mij redt. Ik weet niet of ik dat Habakuk zo na zou kunnen zeggen. Dat vraagt echt om een onvoorwaardelijk vertrouwen. Tegelijkertijd hebben wij dat vertrouwen wel nodig om aan de toekomst te kunnen werken. Als er geen vertrouwen meer is, is er ook geen toekomst.
Dit is ook het moment, met dat onvoorwaardelijke vertrouwen van Habakuk in ons achterhoofd, om na te denken over de doop. Het ligt misschien niet zo voor de hand, maar wat kan Habakuk ons leren over de gedachte achter de doop. Daarbij moeten we wel in ons achterhoofd houden dat Habakuk de doop als ritueel niet kende. Dat komen we namelijk nergens tegen in het eerste testament. Maar wel de gedachte van de doop.
In de doop stellen we het kind centraal. Nu gaat het Habakuk niet om het kind als persoon, maar het gaat hem wel om een rechtvaardige samenleving waarin mensen zich naar Gods beeld kunnen ontplooien. Het gaat hem dus ook om een samenleving waar een kind veilig in kan opgroeien. Een samenleving waarin je als ouders een kind toevertrouwd krijgt. Waarin je een kind mag ontvangen. Als teken van hoop dat de wereld kan veranderen en dat er iedere keer weer een nieuw generatie opstaat om die verandering te bewerkstelligen.
Met de doop dragen we het kind op. We omarmen het. Onwetend, zwak, kwetsbaar en weerloos. Niet uit op macht, machteloos zelfs. Maar wel behorend tot onze gemeenschap, behorend bij God. Dat is wat jullie vandaag willen laten zien. Jullie kind hoort onvoorwaardelijk bij God en dat kan niet worden tegen gehouden door een ja of nee van ouders bij de doop. We mogen slechts hopen, maar er ook op vertrouwen, dat ouders bereid zijn om dat te beamen, dat hun kind behoort bij God, behoort tot de ecclesia van Gods onvoorwaardelijke liefde.
Dopen is de geboorte vieren. Er is nieuw leven gemaakt en dus is er nieuwe hoop. Zo staat het geschreven in de Bijbel. God ziet om naar ieder mens, onvoorwaardelijk! Die onvoorwaardelijkheid is essentieel. Het vertrouwen van God is niet gebonden aan een examen. Is niet gebonden aan een ja of nee. Het vertrouwen van God is uiteindelijk gegrondvest in de liefde.
En in die gedachte wordt jullie als ouders een kind toevertrouwd. Mag jullie een kind ontvangen: God in je huis. Niet voor jezelf, niet om er de baas over te spelen, als was het jou eigen bezit. Maar om  het in liefde op weg te helpen naar de volwassenheid en om het daar, op dat punt, op eigen benen te laten staan. Te laten uitvliegen, zijn eigen weg te laten gaan. Zijn eigen verantwoordelijkheid te geven. In het vertrouwen dat jullie hebben gedaan, datgene wat je moest doen en dat je daarin naar eer en geweten hebben gehandeld.
Dat klinkt mooi. Maar dat is niet gemakkelijk. Dat is ook niet iedere dag een feestvreugde. Dat is soms zorgen en verdriet. En hoe oud je kind ook wordt, de zorgeloosheid zal nooit meer terugkomen. Omdat het jullie kind is, geboren en ontvangen in liefde. Maar hopelijk wel, ook in tijden dat het even niet zo goed gaat, met dat onvoorwaardelijke vertrouwen van Habakuk, dat er nieuwe perspectieven worden geboden. Dat er altijd een kans is op ommekeer. Dat jullie met jullie kind over bergen mogen gaan, lichtvoetig als een hinde, om de wereld een nieuw teken van hoop te laten zien.
dopen1Zo wilde ik met u overwegen, lof zij Jezus Messias. Amen.