Het Woord is vlees geworden

Johannes heeft  een woord vol verwachting. Vol verwachting over de nieuwe wereld die komen gaat. Over het licht dat over ons gaat schijnen. Het Licht wenkt, maar we kunnen het nog niet grijpen. De toekomst, Gods toekomst, is het die voor ons ligt. Want het Woord van God wordt realiteit, het komt onder ons wonen. Het is een scheppingsverhaal en daarmee een verhaal wat we in de tijd voor Pasen goed kunnen lezen, om ons voor te bereiden op dat grote feest van het Licht, op het feest van de opstanding. Als straks de steen voor het graf is weggerold, dan begint het nieuwe leven. Dan schijnt het nieuwe licht.

Johannes spreekt ook een geloofsbelijdenis uit.  Hij is gekomen om belijdenis af te leggen over het licht, tegenover de duisternis. Voor de helderheid; Johannes zelf was niet het licht, hij was getuige van het licht. Van Gods licht tegenover de duisternis. Daarmee verbinden jullie je voorgoed met God. Johannes legt de eeuwige gelofte af. Niet stil in een achterkamertje, maar dat doet hij midden tussen het publiek.

Want Gods zaak is niet alleen een persoonlijke zaak, maar Gods zaak is ook een publieke zaak. Een openbare aangelegenheid. Waarop je aangesproken kunt worden. Een geloof waarover je bereid bent om verantwoordelijkheid af te leggen. Geloven is mens-zijn. Geloven is staan in de wereld. Oog hebben voor de mensen om je heen. Durven je te laten raken door de mens die een beroep je doet. Met ontferming bewogen zijn of te wel je laten raken in je hart, in het diepst van je ziel. De plaats waar het gebed in al zijn eenvoud mag klinken. Want God heeft de mens nodig om de duisternis te verdrijven, om de dood te overwinnen.

Maar laten we de roze wolk van Pasen niet meer romantiseren dan werkelijk nodig is. Niet om de feestvreugde over de opstanding op voorhand te bederven, maar wel omdat straks als het feest is afgelopen we wel met beide benen op de grond moeten blijven staan. We moeten niet gaan zweven. Want als we denken dat we er straks zijn met Pasen, als we denken dat alles achter de rug is en er alleen nog maar licht zal schijnen, dan komen we bedrogen uit. Want dan zal blijken dat Pasen ons niet behoedt voor twijfel en angsten, voor vragen over ons leven, over onze toekomst, over onze ouderdom, over onze kinderen en kleinkinderen. Vragen die onvermijdelijk weer op ons pad komen, vroeg of laat, want niets menselijks is ons vreemd. Zoals in een relatie tussen mensen onderling twijfel, geen teken is dat je niet meer van die ander houd, is twijfel ook geen teken van ongeloof. Ieder mens twijfelt, ieder mens stelt zichzelf, vroeg of laat, de vraag of deze weg de juiste is. Als twijfel een teken van ongeloof zou zijn, zou er in de wereld niemand meer zijn die gelooft. Maar de ‘eeuwige gelofte’ die Johannes aflegt vraagt ook van ons, feitelijk van ieder mens, om die vragen en twijfels  eerlijk onder ogen te zien. Om de confrontatie er mee aan te gaan, er niet voor weg te lopen, maar ook dan in het vertrouwen, dat de duisternis uiteindelijk zal wijken voor het Licht. Dat het leven het wint van de dood. Dat de liefde zal overwinnen. Dat ieder mens opnieuw kan opstaan en opnieuw aan zijn of haar leven beginnen, hoe oud of jong je oud bent. Leeftijd speelt geen rol, in de opstanding.  Met de opstanding is Gods woord vlees geworden. Dus realiteit. De mens, geboren uit Maria, gekomen uit een diepe duisternis van het leven, laat de wereld laat zien wat Gods bedoeling is; een wereld vol vrede en Licht.  Alle mensen, jong en oud, die daarin geloven, mogen in dat Licht mag wandelen, voor altoos en immer, tot in alle eeuwen der eeuwen.