Jeremia 7: 1 – 7

Het was ten tijde van de tweede wereldoorlog dat de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer de volgende woorden sprak: “alleen wie het uitschreeuwt voor de Joden mag Gregoriaans zingen”.

Bonhoeffer bedoelde te zeggen dat pas als je het daadwerkelijk opneemt voor de mens in nood, in zijn geval de Joden, pas dan heb je het recht om de Naam van de Heer te prijzen, Gregoriaans te zingen. Hij maakte een radicale keuze, door niet alleen te preken, maar ook daadwerkelijk in het verzet te gaan tegen de nazi’s. Bonhoeffer maakte die keuze, met de dood, door middel van ophanging, tot gevolg, twee weken voor de capitulatie van Hitler-Duitsland.

Wat Bonhoeffer deed was niet alleen een vorm van preken tegen onrecht, maar daarmee was het ook een onverholen kritiek op de kerk. Hij leverde kritiek op de wijze waarop mensen hun godsdienst beleden, hij leverde kritiek op de praktijk van de kerk, die zich door de machthebbers van nazi-Duitsland hadden laten inpakken, om zelf te kunnen overleven. Hij leverde kritiek op hoe de mensen in de kerk met elkaar omgingen. De kerk werd van alle kanten bedreigd. En mensen dachten de kerk te kunnen laten overleven, door maar concessies te doen aan de machthebbers. Beter iets, dan helemaal niets, toch?

Er waren twee zaken aan de orde. Bonhoeffer stelde de toekomst van de wereld ter discussie. Wat voor wereld willen wij? Een wereld van terreur en onderdrukking of een wereld van rechtvaardigheid. En daarmee stelde hij ook de toekomst van de kerk ter discussie. Wat voor kerk willen wij nu zijn en in de toekomst? En voor hem waren beide niet los te zien van elkaar!

Vandaag blijkt dat we niet raar moeten staan kijken van de kritiek van Bonhoeffer. Hij kende, als subliem theoloog, de geschriften van Jeremia. Daar heeft hij zich ongetwijfeld aan gespiegeld. En het is Jeremia die ons vanmorgen terug brengt bij de les. “Denk eraan, de aanwezigheid van de tempel is geen enkele garantie tegen Gods toorn”.  Anders gezegd; als je denkt dat louter en alleen de aanwezigheid van de kerk jullie bescherming biedt, dan moet ik jullie teleurstellen. Het biedt namelijk geen enkele bescherming.  Alleen het doen van gods wil, dat kan bescherming bieden. Dat kan de garantie geven op een rechtvaardige toekomst.

Het gaat vandaag om de toekomst van de kerk. Om nogmaals met Bonhoeffer te spreken. Het is niet een op een hetzelfde. Daar waar de kerk is, is niet per definitie Gods koninkrijk veilig gesteld. Het kan weleens zijn dat de kerk gods koninkrijk zelfs in de weg staat. Het wezen van de kerk, zegt Bonhoeffer, is dat zij staat midden in de wereld staat, dat zij ten dienste staat van de wereld, maar dat zij ook een tegenover is voor de wereld. Zij is in de wereld, maar niet van de wereld. De kerk staat in de wereld, maar laat zich niet in met de praktijken van de wereld.

Het is geen fijne boodschap die Jeremia brengt. Het volk mag dan wel iedere week naar de tempel gaan en uit volle borst meezingen de klassiekers van de kerk, maar ondertussen pleegt het zelf gruweldaden of probeert het de gruweldaden van anderen toe te dekken. Als je denkt dat je het daarmee redt, de Heer dienen door je de praktijken van de wereld eigen te maken, door mee te heulen met de vijand, louter en alleen om je eigen hachje te redden, als je denkt dat je door alleen maar de naam van de Heer aan te roepen, kunt blijven wonen in dit land, als je denkt dat je daarmee het koninkrijk van god dichterbij te brengen; vergeet het…….. Dan is jullie land, dan is jullie kerk, ten dode opgeschreven! Slechts wanneer je afstand neemt van de goddeloze praktijken, dan is er hoop op een onbedreigde toekomst….

Deze niet fijne boodschap, deze harde woorden spreekt Jeremia niet zomaar. En ze komen ook niet voort uit een soort satanisch genoegen, of een persé gelijk willen hebben, maar ze komen voort uit oprechte bezorgdheid. Ze komen voort uit dat wat hij ziet, uit dat wat hij hoort. En dat alles roept een gevoel van onbehagen bij hem op. Hij voelt zich geroepen, zoals een goed profeet betaamt, om het volk te waarschuwen. Om hen te vragen; is dat een kerk die je wilt?

Het moet waarschijnlijk een zelfde gevoel van onbehagen zijn geweest bij Jezus wanneer hij de mensen waarschuwt voor valse profeten. Om die woorden goed te kunnen begrijpen moeten we weten dat het hier gaat om een gedeelte uit de Bergrede van Jezus. Dat is het programma van Jezus voor de toekomst. De hoorders worden opgeroepen om dat programma te onderschrijven.

Het is niet geheel ondenkbaar dat Jezus deze woorden over de valse profeten, spreekt vanuit een diepe verdeeldheid die er op dat moment gaande was binnen de gemeente van Mattheus. Dan gaat het dus niet om buitenstaanders, maar om een interne strijd over de richting van de kerk. Centrale vraag daarin; hoe dienen wij God?  Roepen we iedere zondag alleen maar: “Heer, Heer, Heer” en zingen uit volle borst de kerk-klassiekers mee, maar we laten ondertussen wel de armen sterven als ratten, langs de kant van de weg?

In de Bergrede is Jezus daar al erg duidelijk over. En ook nu is hij daar klip en klaar in; degene die alleen maar “Heer, Heer” roept, die zich alleen maar vasthouden aan de regeltjes van de kerk, die alleen maar achterom kijken naar vroeger, die zal het koninkrijk van de hemel niet binnengaan, dat is alleen weggelegd voor wie handelt naar de wil van hemelse vader! En wat die wil is,  dat noemt Jeremia in zijn betoog; elkaar rechtvaardig behandelen, vreemdelingen, wezen en weduwen niet onderdrukken, in dit land geen onschuldig bloed vergieten en niet achter andere goden aanlopen…..

Jeremia en Jezus zien dat de toekomst van de kerk niet bedreigd wordt door de buitenwereld. Maar juist van binnenuit. We kunnen de buitenwereld niet de schuld geven. We zullen naar ons zelf moeten kijken. Interne verdeeldheid, ons steeds weer vereenzelvigen en inlaten met de praktijken van de wereld, dat maakt dat de kerk bedreigd wordt. Dat maakt de toekomst van de kerk onzeker. Dat maakt dat de kerk weleens een “sta-in-de-weg” kan zijn voor Gods koninkrijk.

Het is een strijd tussen de mensen van de “brede weg” en de mensen van de “smalle weg”. In de visie van Jezus gaat het bij die eerste om valse profeten. Wolven in schaapskleren, noemt hij ze zelfs. Mensen die misleiden met mooie praatjes, met gemakkelijke oplossingen. Die mensen tegen elkaar opzetten. Die andere mensen wegzetten als niet “recht in de leer”. Die van mening zijn dat hun kerk, “de enige ware kerk” is. De ontmaskering van deze misleidende figuren in de wereld en in de kerk is van groot belang, want zij vormen een serieuze bedreiging voor de toekomst van Gods koninkrijk.

Aan de vruchten herken je de boom. Dat beeld heeft onmiskenbaar betrekking op die genoemde valse profeten.  Jezus geeft nadrukkelijk een oordeel over hun profetie in termen van opbrengst. Slechte vruchten! Want ze komen van een slechte boom. En iedere teler weet, slechte bomen moet je kappen! Die hebben geen toekomst. Maar dat niet alleen, ze nemen ook de voeding en licht weg voor de goede bomen.

Voor een toekomst van de kerk, waarin mensen kunnen blijven wonen, gaat het altijd om het handelen naar Gods wil. Dat is van groter belang dan het bezigen van geloofstaal. Het juiste handelen wordt hoger aangeschreven, dan het spreken of belijden.

Bij Dietrich Bonhoeffer lag de eerste prioriteit altijd bij het praktiseren van Gods woord. Daarin lag voor hem de toekomst van de kerk. Dat dat geen brede weg bleek, ondervond hij zelf aan den lijve. Aan de vruchten herken je de boom!  En dan weet je ook, dat een goede boom goede vruchten voortbrengt.