Job 29: 1 – 13

Thema: meer geluk dan grijsheid!

psalm71Wij merken dat wij ouder worden. Dat is de natuur. Dat is het proces van afsterven en ruimte maken voor nieuw leven. Ouder worden wordt vaak ervaren als een proces van aftakeling. En dat is feitelijk ook zo. De lichamelijke krachten nemen af. Tegen de rimpels valt niet meer te smeren en de grijze haren zijn ook niet meer te verbergen onder een verflaag.

Toch is daarmee niet alles gezegd. Want terwijl de uiterlijke mens vervalt, kan de innerlijke mens iedere dag opnieuw weer vooruitgang boeken. Ouder worden is enerzijds een fase van een nieuwe realiteit, een oefening in overgave, maar anderzijds kan die overgave ons ook dichter bij het goddelijke brengen. Dichterbij ons innerlijk. God niet in de persoon, maar wie wij in het diepst van onze ziel zijn. Dat kunnen we het goddelijke noemen. Dichterbij de vraag wie wil ik nu zijn in het diepst van mijn ziel en veel minder bij de vraag wie was ik. Maar het verlangen naar het verleden, van wie ik was, blijft groot, omdat het verleden groter wordt naarmate we ouder worden. En het heden van de ouderdom lijden en last kan zijn, terwijl we van het verleden vaak alleen de mooie dingen ons herinneren en daarmee ook geneigd zijn dat verleden te romantiseren.  Maar het verleden is voorbij, de toekomst wordt kleiner.

Ouder worden is niet alleen een oefening in overgave als het gaat om het lichamelijke, maar tegelijkertijd is het ook een relativering van wie we vandaag zijn. Als we jong zijn en midden in het leven staan, dan kan het gebeuren dat we onszelf ook het middelpunt van het leven vinden. Dat we het goddelijke overstijgen en onszelf God wanen. Maar met het ouder worden voelen we het leven langzaam verglijden, staan we niet meer in het middelpunt van het leven. Raken we dingen en mensen kwijt en blijven we achter met vragen. Met “raadsels” noemt Jean Pierre Rawie dat.

De fase van ouder worden is ook de fase waarin we moeten leren rouwen over het feit dat we niet meer voortdurend omringd zijn door mensen die ons bewonderen, die iets van ons willen. De eenzaamheid die daardoor kan ontstaan, kan voelen als een dolksteek als we dat tot ons laten doordringen. Als we de wond die dat veroorzaakt niet de ruimte geven om te genezen, zullen we tot aan onze dood tegen de stroom van eenzaamheid in blijven zwemmen en komen we geen meter vooruit. Dan zullen we dat verleden blijven verheerlijken en zullen de raadsels steeds, als een valkuil, onze levensweg versperren.

En dat is de les die we vanmorgen leren van Job. Toen hij nog in aanzien stond, toen hij zich nog waande het middelpunt van de wereld. Toen hij zich voortdurend omringde met mensen die hem bewonderde en iets van hem wilde. “Was alles maar als in de dagen van weleer, als in de dagen dat God over mij waakte”.  Oud is Job en ziek, hij lijdt aan allerlei ouderdomskwalen. Daar komt bij dat zijn leven bepaald niet over rozen is gegaan. Zijn kinderen heeft hij verloren, zijn vrouw heeft hem verlaten. Zijn bedrijf failliet. En zijn vrienden zijn achter de horizon verdwenen, tegelijkertijd met zijn succes. En dag in dag uit blijft Job God bestoken met de “waaromvraag?” Hij heeft altijd goed geleefd. Hij heeft gezorgd voor de arme, de wees heeft hij niet in de steek gelaten, de stervende zegende hem. De weduwe gaf hij nieuw elan! En waarom dan toch, God, moet mij dit alles overkomen? Job blijft, dag in, dag uit, worstelen met die vragen, met die raadsels.

De “waaromvraag”  kan mensen eindeloos bezig houden. Terwijl we wel weten dat een bevredigend antwoord vrijwel nooit komt. De “waaromvraag” kan de gang door het leven zelfs in de weg staan. Kan de innerlijke groei tegen houden. Wanneer Job de innerlijke vrijheid zou kunnen vinden, dan zou hij ontdekken dat de “waaromvraag” geen enkele rol meer speelt. Dan stopt hij, als vanzelf, met zijn klaagzangen en zijn eindeloze reeks “waarom gebeden”. Daarvoor in de plaats komt de innerlijke rust en de stilte. Innerlijke rust en stilte die in de ouderdom steeds belangrijker worden.  In die stilte, in die rust, kunnen we ervaren dat datgene wat wij God noemen ons aanvaard, in wie we zijn en niet in wie we waren. Dat God de “waaromvragen” tot bedaren brengt en ze uitwist. Ze weg blaast, zoals de wind in de herfst de bladeren doet vergaan.

“In de dagen dat God nog over mij waakte” zegt Job. Job ervaart God blijkbaar als afwezig. Maar de innerlijke rust die we in de ouderdom kunnen ervaren, het zwijgen van God, zegt niets over de afwezigheid van God. God verbreekt de relatie met ons niet.  Het zwijgen van God wordt daarentegen als een deken van innerlijke rust over ons uitgespreid. God bestookt ons niet met “waaromvragen”. Hij laat ons met rust, zonder afwezig te zijn.  Van God hoeven we ons niet meer bezig te houden met het verleden, we hoeven geen verantwoording af te leggen over het verleden, we worden niet afgerekend op het verleden. Dat verleden mogen we laten rusten!

Ja, de toekomst wordt kleiner, maar daarmee niet minder belangrijk. Omdat we die vragen uit het verleden kunnen laten rusten, ontstaat er nieuwe ruimte, kunnen we ons overgeven aan een nieuw proces waar de scherpe kanten vanaf zijn.

Waarin iets onbaatzuchtigs ontstaat. Iets innerlijks. Waarin we beter kunnen beoordelen wat nu werkelijk belangrijk is in het leven. Waarin geluk een grotere rol speelt, dan onze grijze haren. We hoeven niet meer te strijden voor onze opvattingen. We hoeven ons geloof niet meer te bewijzen. We kunnen andere meer ruimte geven in geloof en in liefde. We hoeven niet meer bang te zijn om verlaten te worden.  We mogen erop vertrouwen dat mensen die om ons geven en het grootste deel van ons leven met ons mee zijn gegaan, ook dan met ons mee zullen blijven gaan.  God zal ons  in ieder geval niet verlaten, in het zwijgen is deze niet afwezig. Maar juist dichtbij ons. Daarin ontstaat nieuw geluk, dat onze grijsheid ontstijgt.

 

liturgie grolloo 9 november