Johannes 2: 13 -22

48Bevestiging Johanna Bilker tot ouderling.
Als je vandaag wordt bevestigd in het ambt van kerkenraadslid kun je je op voorhand afvragen wat het verhaal dat Johannes ons vandaag verteld daarmee te maken heeft.

Nee, het is als kerkenraadslid niet jouw taak om het tempelplein schoon te vegen van allerlei ongerei. Je hoeft niet met een touw de handelaren te verdrijven. De schapen en de runderen en de duiven weg te jagen. Laat dat een geruststelling zijn. Toch vermoed ik dat dit verhaal wel iets kan vertellen over waar het wel omgaat in de kerk. En waar je straks als, kersvers kerkenraadslid, misschien iets aan kunt hebben.

Johannes houdt met dit verhaal jou, maar ook ons, een spiegel voor. “Het woord is mens geworden”, daarmee begint het Johannesevangelie. En Johannes blijft dat, door middel van zijn verhalen, maar herhalen. Al de verhalen die hij verteld heeft hebben dat als thema. En hebben daarmee als thema; waar woont God?

Vanmorgen vertelt hij een verhaal waarin sprake is van een ongekende emotie bij Jezus. Boosheid en woede! Dat hebben we niet eerder bij Hem gezien. “Maak van het huis van mijn Vader geen markthal” en om zijn woorden kracht te bij te zetten werpt hij de tafels van de geldwisselaars omver en drijft de handelaren met een zweep naar buiten.

Merkwaardig, want het was in die tijd helemaal niet ongebruikelijk dat een tempelplein gebruikt werd om handel te drijven. Het staat er ook letterlijk; “de geldwisselaars die daar altijd zaten”. Je zou kunnen zeggen dat ze op basis van een soort gewoonterecht, blijkbaar het recht hadden om daar te zitten. Interessant is de vraag waar kwam deze woede en boosheid bij Jezus dan vandaan? Hij kende die praktijk toch en hij moet hem ongetwijfeld vaker zijn tegen gekomen. Die vraag blijft onbeantwoord! Maar hij geeft wel een mysterieus antwoord op de vraag: “met welk recht kunt u bewijzen dat u dit mag doen? Dan blijkt dat Jezus het helemaal niet heeft over de tempel van steen. Maar over de tempel van ons lichaam. “Breek deze tempel af en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen”. Met dit antwoord neemt Hij een voorschot op het paasverhaal. Drie dagen, het verschil tussen dood en opstanding.

Als diepere laag onder dit verhaal gaat het vandaag dus om de eeuwenoude vraag waar God woont. Waar we God kunnen vinden? Vroeger, maar ook vandaag de dag nog, kijken dan veel naar mensen boven. Naar de hemel! Ik zou u dringend willen adviseren om daarmee te stoppen. Daarboven vinden we God niet. Evenzeer als we God niet vinden in een tempel van steen en hout en we God ook niet vinden in regels, dogma’s en wetten. Als U God zoudt willen ontmoeten, dan zou ik u adviseren om vooral goed om u heen te kijken. Want Jezus leert ons, sprekend over zijn eigen lichaam, in dat mysterieuze antwoord, dat God woont in een mens. Het Woord is Mens geworden.

Dat lijkt wel erg merkwaardig. Want wat doen wij dan hier op zondag? Wat brengt ons dan naar dit huis, als er gezegd wordt dat we God hier niet zullen vinden. Daar moeten we goed over nadenken. God woont volgens Jezus niet in een kerk, maar in mensen. Mensen zoals U en ik. Wij mensen, zijn een tempel van God.

En toch komen wij op zondag naar deze tempel van steen en hout. Een tempel waar een wolk van gebeden hangt en waar vele generaties ons zijn voorgegaan. Een antwoord wat we daarop kunnen bedenken is dat wij op zondag hierheen komen, om er aan herinnerd te worden dat het gaat om mensen. We komen niet alleen, maar we komen samen, om elkaar daaraan te herinneren. In de verhalen, in de liederen en gebeden. Maar laten we dus niet de illusie hebben dat we het dan hier vinden en dat we het daar dan bij kunnen laten. Geloven is geen zaak van collectes, kaarsen of andere plaatsvervangende dingen. Deze kunnen slechts het geloven dienen. Geloven is een zaak van naastenliefde en van inzet van je eigen persoon. Vanaf hier begint de dienst aan de wereld, begint de dienst aan de mensen.

Jezus zweepte de kopers en verkopers van duiven en runderen het kerkplein af. In zijn ogen was de kerk verworden van een plaats waar de “heiligheid van de mens” centraal moet staan, tot een plaats waar de handel centraal is komen te staan. De kooplieden hielden met hun winkeltjes een opvatting in stand die door Jezus werd verworpen. Het koophuis, moest weer een Vaderhuis worden, waar mensen veilig kunnen zijn en waar mensen niet worden lastig gevallen door een 24-uurs economie.

De omgang met God, de ontmoeting met God, mag niet worden besmeurd door het kwaad, door de handel en uitbuiting. Door onrecht en onderdrukking. De omgang met God mag niet worden tegen gehouden door regels en wetten. De geboden, de tien woorden, zijn daarin onze leidraad. Langs die woorden leggen we als mensen onze dienst aan de wereld, onze dienst aan mensen. Daaraan mogen we ons doen en laten afmeten. Maar ze mogen nooit een dogma worden waarachter wij ons kunnen verschuilen en waarmee wij onze eigen verantwoordelijkheid van ons schuiven. De omgang met God kan alleen worden gerealiseerd als we alles wat een oprechte ontmoeting in weg staat, durven op te ruimen. Het goede kan alleen worden gerealiseerd als het kwaad wordt verwijderd.

Vandaag word jij, Johanna, in het ambt bevestigd. En daarmee maak je je eigen persoon tot inzet. Je beloofd dat je je zelf wilt inzetten voor dat grote verhaal. Met liefde voor mensen. Omdat het verhaal ons leert dat het gaat om mensen in de kerk. Dat in alles wat we doen, het de mensen zijn die we voor ogen moeten houden. Het gaat niet om stenen en hout. Gebouwen kunnen nooit heilig zijn. Het gaat niet om regels, regels kunnen nooit heilig zijn. Alleen mensen kunnen heilig zijn omdat het Woord Mens is geworden.