Johannes 20: 19 – 31

De afgelopen week kwam ik in gesprek met een jonge vrouw. Ze vertelde mij haar levensverhaal. Een triest verhaal. Een verhaal van druggebruik, prostitutie, ongewenst zwanger, miskraam, mishandeling, verbroken relaties, opname in de psychiatrie, het overlijden van haar vader en het verhaal van haar bejaarde moeder in Brabant, die ze, naar ze zegt, iedere maand bezoekt. En, niet te vergeten het verhaal van haar 11-jarige zoon, die in een pleeggezin woont. Ze begint te glimmen op het moment dat het over hem gaat. Het is een leven waar je niet jaloers op hoeft te zijn, zegt ze zelf.  Geen leven waar ik op gehoopt had, en ook geen leven waar ik op voorhand in geloofd zou hebben. Mijn ouders waren brave, nette Rooms Katholieke mensen in Brabant.

Op eens uit het niets vraagt ze me; ik kan zeker niet opnieuw gedoopt worden? Ik vraag haar waarom ze dat zou willen. Ik wil graag opnieuw gedoopt worden, zegt ze. Toen ik klein was ben ik gedoopt in de Rooms Katholieke kerk, maar ja daar weet ik niets meer van. Ik zou het graag zelf willen zeggen en meemaken. Voordat ik kan antwoorden gaat ze verder; maar ja dat kan natuurlijk niet, want ik ben al heel lang niet meer in de kerk geweest en ik bid ook nooit en ik gebruik drank en drugs.  Ik ben een ongelovige, toch? Uit deze laatste vraag, die ik in haar ogen alleen maar hoefde te bevestigen, klonk twijfel en angst.  Ik bevestigde haar vraag echter niet. Toen het gesprek even verder ging vertelde ze dat ze in de Paasnacht in de kathedraal was geweest in de stad. Omdat ze het licht zo mooi vond. Het branden van de kaarsen en het zingen. En de pastoor had een mooie preek, vond ze.

Ik was verbaasd. Ze had even daarvoor verteld dat ze er al lang niet meer geweest was. Ik zei dat het volgens mij met haar ongeloof wel meeviel. En probeerde haar uit te leggen dat het maar de vraag is of er wel ongelovige mensen zijn. Ieder mens gelooft wel in iets, zei ik. In god of in boeddha of in de mens zelf. Ik denk dat ik wel in god geloof, ging ze verder. Maar niet altijd. Als ik weer eens diep in de shit zit, dan kan god me gestolen worden!

Dit gesprek liet me de afgelopen dagen niet los. Omdat ik dacht, wie ben ik, om te bepalen of iemand ongelovig is? Dat zegt meer over mij, over de vraag wat ik denk dat geloven is en iedereen die daar niet aan zou voldoen, is die ongelovig?  Het verschil zit in de geloofsbelijdenis. Spreek ik over ”mijn Heer, mijn god” of hebben wij het over “onze heer en onze god”.

Je kunt ook zeggen, deze vrouw was er in ieder geval bij. Bij dat moment waarop wij gedenken de opstanding en verrijzenis. Ze bleek erbij geweest te zijn, bij dat jaarlijkse hoogtepunt in ons kerkelijk bestaan. En ze was er duidelijk zichtbaar trots op en ze had het mooi gevonden. Haar twijfel en haar angst, dat ze door mij weggezet zou worden als een ongelovige, bleek ongegrond. Wat ik zag, wat ik hoorde was niet een ongelovige vrouw maar een vrouw  die ten volle mens was, met alles in zich aan twijfel, angst en onzekerheid.

Zo er toeval bestaat, was dit zo’n moment in het leven dat ik me afvroeg; hoe kan het dat ik nu dit gesprek voer en het moet zondag gaan over de ongelovige Thomas?

Thomas was er in ieder geval niet bij met Pasen. Zonder opgave van reden liet hij verstek gaan. En dat hij niet onmiddellijk aanneemt wat andere vertellen, geeft ons blijkbaar een argument om hem als ongelovig te bestempelen.  Ik denk dat wij hem daarmee tekort doen. Thomas van Didymus, zoals zijn naam officieel luidt. De tweeling, de tweeslachtigheid, de mens in dubio. De mens in twijfel. Dat is de betekenis van zijn naam. En we weten in Bijbel staat een naam nooit los van de mens zelf. De naam zegt altijd iets over de mens, over zijn karakter, zijn staan in het leven.

Uit niets blijkt dat hij daadwerkelijk ongelovig is, wat andere ook van hem zeggen.

Geloven is toch echt iets anders dan alles maar klakkeloos aannemen wat door andere gezegd wordt. Eerder zou je Thomas misschien een twijfelaar kunnen noemen, wat zijn naam verraad. En daarin is niets menselijks hem vreemd. Daarin staat hij dichter bij ons dan wij denken. Wie van ons neemt altijd klakkeloos aan wat andere zeggen? Wie van ons twijfelt er niet met de regelmaat aan zijn geloof. Aan de vraag of god bestaat. Aan de opstanding. Wie twijfelt er niet geregeld aan de liefde en aan de zin van het bestaan. En wie van ons zou het prettig vinden als je daarom een ongelovige genoemd zou worden? Een twijfelaar hoeft zeker niet ongelovig te zijn.

En wij weten ook allemaal dat het leven niet eenzijdig is. Het draagt altijd de tweezijdigheid van Thomas in zich. Van twijfel, van geloof en ongeloof. Van dood en opstanding. De vraag is alleen hoe wij met die tweezijdigheid omgaan. Laten we ons er door verlammen, zaait het angst of is het juist iets wat ons scherp maakt. Wat ons bevrijdt van alles maar klakkeloos voor zoete koek slikken? Bevrijdt het ons van verstikkende vanzelfsprekendheden?

Thomas wordt aangesproken. Er klinken geen verwijten. Hij wordt niet aangesproken op dat wat hij niet klakkeloos aanneemt. Hij wordt niet afgewezen, niet terecht gewezen omdat hij er niet was. Eerder wordt hij tegemoet getreden met de liefde voor iedereen die vol twijfel en angst en onzekerheid door het leven gaat.

Breng uw hand hier en zie mijn hand. De hand die gerechtigheid heeft gedaan. De hand die heeft gezegend. De hand die doden heeft opgewekt. Breng uw hand en leg die in mijn zij. De plaats waar de verwoesting is geëindigd, waar de overgave werd bevestigd en het verzet tegen de dood is begonnen. Wordt gelovig klinkt het. Thomas wordt gewezen op de plekken die alles te maken hebben met leven en dood. Met het kruis en de opstanding. Het zou eerder ongelovig zijn om daar aan voorbij te gaan. Om voorbij te gaan aan de gezegende en aan de gekruisigde. Aan de levende en de dode. Geloven is, na Pasen, in verzet blijven tegen alles en iedereen die zich bevindt in de macht van de dood. Geloven is, na Pasen, iedereen vol angst en twijfel en onzekerheid met liefde tegemoet treden.

Wordt gelovig! Daar past maar een geloofsbelijdenis op;  “mijn Heer, mijn god”. Niet meer en niet minder. Een geloofsbelijdenis als antwoord op de vragen en twijfels van het leven. Niet “onze Heer en onze god” klinkt het. Dan zouden andere moeten voldoen aan ons beeld van geloven. “Mijn Heer, mijn god” dat laat alle ruimte voor een vrouw in dubio, vol angst en twijfel en onzekerheid over haar toekomst. Dat laat alle ruimte om te kunnen zeggen; “als ik weer eens in de shit zit, dan kan god mij gestolen worden!”

liturgie Stefanuskerk 8 april 2018