Lijden?

Het zijn zeker niet de makkelijkste woorden die Johannes laat klinken in deze Paasnacht. Het begint zou je kunnen zeggen logisch en vreedzaam. De graankorrel als het symbool van nieuw leven. En het is waar, een graankorrel leidt niet uit zichzelf tot nieuw leven, daar moet iets voor gebeuren. Deze moet afsterven in de grond, om tot nieuw leven te leiden. Als het alleen bij dat beeld zou blijven, dan kunnen we ons er misschien nog iets bij voorstellen. Maar daar blijft het niet bij. Johannes gaat nog een stap verder. “Wie zijn leven liefheeft die verliest het? Of wie zijn leven haat, zal het behouden?”.  Het zijn radicale woorden. Zonder enige vorm van uitleg zouden we deze woorden makkelijk verkeerd kunnen interpreteren. Het lijden verheerlijkt? De dood als ultieme eindbestemming van ons leven? De haat gepredikt?  En als we dat beeld dan nog een stapje verder zouden doortrekken, waar komen we dan uit? Bij een huiveringwekkende gedachte dat mensen geofferd mogen worden omwille van een groter en hoger doel? Omwille van ons kwaad? We komen vanzelf uit bij de vraag of het lijden ooit mooi zou kunnen zien en een goed doel zou kunnen dienen? Zou het lijden ooit zinvol kunnen zijn? Zijn er situaties denkbaar waarin het lijden en alle dood tot nieuw leven leidt?  Het is maar aan welke kant van de streep van je staat, welk antwoord je kunt of wilt geven op die vraag.

Als we met die vraag in ons achterhoofd dagelijks  de krant open slaan, de televisie aan zetten, internet openen, dan zouden we ons moeten proberen in te denken welk antwoord op deze vraag gegeven zou worden door de slachtoffers van de gifgasaanval in Syrië? Welk antwoord zouden zij geven? En welk antwoord zouden de koptische christenen in Egypte geven op deze vraag; bruut vermoord omwille van hun geloof. Kunnen we ons in denken dat zij zouden zeggen dat hun lijden inderdaad zou leiden naar een nieuw leven? Dat hun lijden zinvol is? En dan hebben we het nog niet eens over al die naamloze en niet genoemde mensen die dagelijks lijden aan geweld en onderdrukking, aan onrecht en uitbuiting. Zouden zij kunnen beamen dat er iets moois te vinden zou zijn in hun lijden?

Een leven zonder lijden, een leven waarin een mens door een donkere tunnel heen moet, dat is ondenkbaar. Iedereen ervaart met de regelmaat het lijden. Lijden aan de toekomst, de verwachtingspatronen als je jong bent. Lijden aan de liefde als ouder wordt en lijden aan het leven als je je bevindt in de herfst. Lijden aan ziekte en eenzaamheid. En al die andere vormen van lijden tussendoor die ons kunnen overkomen. Wie zou zijn eigen lijden zinvol durven of willen noemen?

Nee, lijden is niet mooi en het is ook nooit goed. Lijden is gemeen en wreed en heeft altijd iets onmenselijks in zich. Het lijden van mensen maakt ons verlegen en vaak ook stil.

Dat is de stilte en de verlegenheid waarin we op goede vrijdag deze kerk verlieten. De lege, uitgeklede kerk. De dode kaarsen, het stomme orgel. Dat is de verlegenheid die wij voelen rond het kruis van Christus. Wilden we er niet bij zijn?  Wilden we weg?  Ook god-weet-niet-waar-naar toe? Wie heeft achterom gekeken?  Wilden we niet zien hoe godverlaten de Mens Jezus daar hing? Zo godverlaten kunnen mensen zich voelen die ook vandaag, overal in de wereld, dat lijden aan den lijve ervaren.  Die uit het diepst van hun hart, van de bodem van hun ziel roepen; “God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Willen we het niet zien?  Willen we er bij blijven? Wakend? En wie van ons zou tegen hen durven zeggen; “stil maar, wacht maar alles komt goed. De zin van jou lijden openbaart zich vanzelf”.  En God zal het wel zo gewild hebben?

Heeft God de Mens Jezus overgeleverd aan zijn beulen?

Goede Vrijdag is gepasseerd, de kaars werd gedoofd, het kruis omhangen met prikkeldraad, niet om het lijden te verheerlijken of het goed te praten. Maar wel om het onder ogen te zien, ons hoofd er niet voor weg te draaien. Terwijl de kaars gedoofd werd, bleef er een klein vlammetje branden, omdat te midden van al het lijden, hoe klein ook, God aanwezig blijft. God zit of staat niet achter het kruis. Hij verheerlijkt het kruis niet. God zit of staat naast de gekruisigde, de lijdende Mens van vandaag.

In die donkerte, in die soms innerlijke doodstrijd, op die momenten waarop je het wel wilt uitroepen; “God, mijn God waarom heb je mij verlaten?”, dat je het niet meer aan kunt, de momenten waarop je moet toegeven dat je doodsbang bent, op die momenten blijft dat  Gods verhaal overeind. Blijft dat ene kleine vlammetje branden, als teken van hoop. Wordt dat Gods verhaal van het verbond, van liefde en leven, steeds weer opnieuw verteld. Eeuwen door, van generatie op generatie. Zolang die verhalen verteld worden, als lichtplekken in een stikdonkere tunnel, is er hoop op leven. Is er hoop op een nieuwe toekomst.

We kunnen toch niet geloven in een God die de toekomst geen kans meer zou geven? We kunnen toch niet geloven in een God die het lijden verheerlijkt? We kunnen toch niet geloven in een God die de dood wil? Die de dood het laatste woord zou geven. Die erop uit zou zijn om datgene wat hij zelf geschapen heeft te vernietigen. Het is andersom. Daar waar een mens lijdt, daar lijdt God. Daar waar een mens huilt om het sterven van een geliefde, daar huilt God. Daar waar een mens sterft omwille van de gerechtigheid, daar sterft God. God wil de dood en het lijden niet, daarom en alleen daarom, is het Pasen geworden!