Lucas 16: 19 – 31

Zo gaat dat in de wereld. De bedelaar sterft eerder dan de rijke. Omdat zijn leven een kwelling is, ongezond en spijkerhard. Een leven dat veel van een lichaam vraagt en een lichaam dat dus eerder opgebruikt is. En misschien is het maar goed zo. Want dit was toch geen leven? Een bedelaar sterft eerder dan een rijke…. En wie zal hem missen? Hoogstens de portier die hem iedere dag zag liggen in de poort. Of de honden die zijn wonden likten. Voor hem geen hoogmis met het “in Paradisum Angeli”. Een stille begrafenis op een plek achteraf, zonder publiek, zonder steen. Hoogstens een gedicht van de stadsdichter. Binnen een half uur is het afgelopen!

De rijke man sterft ook. Voor hem wel een hoogmis. Wel het “in Paradisum Angeli”.  Wel een priester in vol ornaat. Een volle kerk, want wij mensen willen graag gezien worden bij mensen van aanzien en status. Toespraken, een prominente plaats op de begraafplaats, in een protserig graf. En iedereen zal hem missen!

Twee werelden gescheiden, twee levens totaal verschillend. Die samenkomen in wat Lucas noemt het dodenrijk. Maar voor alle duidelijkheid, er wordt ons vanmorgen geen inkijk gegund  in de schijntegenstelling tussen hemel en hel. Want dat is slechts een vrome fantasie die ontsproten is aan het christelijk denken in ver verleden. Waar wij nu nog steeds last van hebben. En waar wij tot op vandaag de erfenis nog van meedragen.

In het Joodse denken en het Joodse geloof is er geen leven na de dood. Er is geen hemel waar te lange leste nog een afrekening zou kunnen plaatsvinden. De gerechtigheid voor Lazarus vindt niet plaats pas na zijn sterven. God laat het onrecht niet  voortduren tot in alle eeuwigheid. Evenzo geeft God geen voorrang aan de onrechtvaardigen en geen voorkeursplaats aan de rijke.

In het Joodse denken en het Joodse geloof is er geen hemel daarboven. Dus gaat dit verhaal ook niet over wat er zich in de hemel afspeelt. Het verhaal gaat over wat hier op aarde, in het dagelijks leven gebeurt. Het koninkrijk van de hemel, waar Jezus geregeld over spreekt, is niet ver weg, is niet boven ons, maar is onder ons. De beweging  in de Bijbel is niet van onder naar boven, maar boven naar onder. In de hemel is het niet te doen. Hier moet het gebeuren. Het Woord, ons in den beginne gegeven, staat midden in de wereld. Maar het Woord heeft geen vaste plaats. Het kan overal opduiken. Het kan overal zijn, zelfs  waar we het misschien niet verwachten. In de nachtopvang voor de bedelaars. In de sloppenwijken van de grote stad. Op de eindeloze droge steppe in Afrika. In een torenflat in Londen.

Het verhaal van de bedelaar Lazarus en de rijke naamloze man is een Joodse vertelling die zijn oorsprong en gedachtegang vindt in de vijf boeken van Mozes en de geschriften van de profeten.  Dat Woord is mensen in den beginne gegeven.  Daarin is de wet opgeschreven. En waren het de profeten die het volk steeds opnieuw bepaalde bij die wet. Abraham kan het niet nalaten om de rijke man, die duidelijk kennis heeft van de wet en de profeten en dus gekwalificeerd mag worden als een gelovig mens, steeds daarop te wijzen.

En waar wijst Abraham deze rijke man dan fijntjes op?  Dat hij een goed leven heeft gehad, dat kunnen we van Lazarus niet zeggen. Dat er in het leven een gigantische kloof was tussen beide. En dat die kloof is er nog steeds. Die wordt in de dood niet plotseling opgelost. Die kan in de dood niet meer worden opgelost. En nu is het te laat. Jij hebt bij leven volop de kans gehad om de kloof te dichten. Maar je hebt het nagelaten. Je was te druk met je eigen leven. Je was te druk met je eigen carrière. Je was te druk met nog meer geld bij elkaar schrapen dan je al had. Je was zo bezeten van je eigen leven dat je geen oog had voor de sloebers en sappelaars. Dat je geen oog had voor mensen die stierven als ratten langs de kant van de weg. Je was niet bezig met de slachtoffers van de oorlog, met de doodhongerende moeders en kinderen.  Je was niet bezig met de inwoners van de torenflat in Londen. Ze hadden vanuit hun torenflat toch een prachtig uitzicht op jouw rijkdom? Want ze woonde letterlijk bij jou om de hoek. Doch je hebt het nagelaten om bij leven deze Lazarussen recht te doen. En dan wil je nu dat Lazarus terugkeert om je broers te gaan waarschuwen?

Zouden ze hem geloven als hij zou terugkeren uit de dood?  Ze hebben hem zijn hele leven niet geloofd en waarom nu wel? De bewoners van de torenflat in Londen werden niet geloofd, ondanks dat ze keer op keer wezen op de gevaren en de onveiligheid van hun woningen.

Bij leven is er voldoende kans geweest om ze te geloven. Om de kloof te dichten. Berouw komt vaak na de zonde. Maar dan is er nog altijd de mogelijkheid om het een en ander te herstellen. Maar in Londen en in het leven van de naamloze rijke man, komt berouw na de dood. En dan is het te laat.

Lazarus hoeft niet terug. Want niemand zou hem geloven! En in de wet en de profeten staat het toch nadrukkelijk opgeschreven, bladzijde na bladzijde, dat je God moet dienen door je over je naaste te ontfermen. Hoe duidelijk wil je het hebben? Het Woord dat daar gegeven is, is niet het woord van hebzucht, maar is het Woord van recht en liefde. Dat zijn oorsprong vindt in de lijdende mens. Volgens mij hoeven we er vandaag de dag niemand aan te herinneren dat deze mens stierf in het inferno van een torenflat.

Het verhaal van de bedelaar Lazarus en de naamloze rijke man is een oud Joods verhaal.  Maar het verhaal blijft vandaag nog volledig van kracht. Niet een verhaal uit de hemel, maar een verhaal over mensen van vandaag die durven opstaan, die willen recht doen en de kloof dichten tussen arm en rijk. Die willen leven naar de woorden van recht en liefde. We zouden het allicht kunnen proberen om die kloof te dichten. Wat houdt ons tegen?

Liturgie 18-06-2017