Marcus 5: 21 – 34

lwho-touched-meHet klinkt als een stevige wasbeurt voor de stad Jeruzalem wat ons wordt verteld in Jesaja. Het bloed moet worden afgespoeld en het vuil van Sions vrouwen moet worden weg gewassen. Blijkbaar hebben de vrouwen het weer gedaan. Zij zijn blijkbaar weer degene die de zaak onrein en smerig hebben gemaakt. Het is toch wat, met de vrouwen in de Bijbel! Ze passen niet snel in een plaatje dat maakt dat ze een goede en volwaardige rol spelen. Dat begon natuurlijk al met Eva en daarna zijn er nog tientallen voorbeelden van op te noemen. De verleidster, de ongelovige, de hoer en de onreine. Het zijn op het eerste gezicht geen fraaie beelden die er van vrouwen worden neergezet.
Dat komt ongetwijfeld omdat de Bijbel door mannen is geschreven en herschreven in een tijd waarin de maatschappelijke en kerkelijke man-vrouw verhoudingen nog sterker uit elkaar lagen, dan in onze tijd. De tijd dat mannen het beeld van vrouwen bepaalde en daarmee ook de maatschappelijke en kerkelijke traditie. We mogen in ieder geval niet de conclusie trekken, op grond van deze beelden, dat God een hekel zou hebben aan vrouwen.

Vandaag spelen vrouwen weer een belangrijke rol. Twee vrouwen. Twee vrouwen uit twee verschillende generaties. De dochter van Jairus. Twaalf jaar slechts, maar daarmee in de Joodse traditie op de grens van de volwassenheid. Ze is stervende. En dat is natuurlijk een drama. Want een kind hoort niet te sterven. We kennen haar achtergrond, dochter van een van de leiders van de synagoge. En dus van goede komaf. Een maatschappelijk en kerkelijk een gerespecteerd gezin.
Daar staat die andere naamloze vrouw tegenover. Ze bloedt al twaalf jaar. We kennen haar naam niet. We kennen haar achtergrond niet. Heeft ze kinderen? Is ze gehuwd? Maar wat we wel van haar weten is dat ze gewond is. Gewond naar lichaam en ziel. Dat is een groot drama. Dat bloeden, dag in, dag uit. Dan stroomt alle levenskracht uit haar weg. Ze wordt steeds leger en steeds armer. Door deze kwaal is ze ook onvruchtbaar geworden denken wij. Of was ze onvruchtbaar en heeft vervolgens deze kwaal gekregen?

In het tijdsbeeld van die tijd is ze geen vrouw meer. Ze is afgeschreven. Daar komt bij dat het bloeden haar onrein maakt. Vrouwen die vloeide, die ongesteld zijn of in de overgang zijn, zijn in het joodse denken onrein en mogen niet aangeraakt. En dat maakt dus dat de vrouw onrein is. Een onaanraakbare. Iemand die gemeden moet worden. Een uitgestotene, die zich eigenlijk niet op straat behoort te begeven. Ze is een wandelend taboe. En ze hoort andere mensen ook niet aan te raken, omdat ze hen daarmee ook onrein zou maken.

Maar ze is natuurlijk in de eerste plaats ziek, ze is het slachtoffer van een blijkbaar onoplosbare kwaal. Ze heeft al vele doctoren geraadpleegd. Ze is al in alle ziekenhuizen geweest die er in de omgeving maar te vinden zijn. Niets heeft geholpen. Ze voelt zich schuldig tegenover haar omgeving omdat ze niet kan geven, wat ze wil geven. Ze voelt zich letterlijk vies en onrein. Alles heeft ze geprobeerd, maar niemand heeft haar kunnen helpen. Nu is ze waarschijnlijk ten einde raad, ze doet wat ze niet mag doen. Ze begeeft zich op straat.

Daar is zij zich natuurlijk terdege van bewust. Dat ze tegen de geboden ingaat. Ze doet wat niet hoort. Maar geef haar eens ongelijk. In de strijd tegen een voortdurende ziekte doen mensen soms dingen die tegen regels in gaan en ze doen dingen die soms onlogisch lijken en ook irrationeel. Ze zoeken hun heil bij alternatieve genezers, bij gebedsgenezers. Louter en alleen in de hoop dat het helpt. Het is haar laatste kans. Als dit niet helpt, dan is het definitief afgelopen. Dan is ze opgegeven.
Ze weet dat ze een risico neemt. Het ene risico is dat mensen haar herkennen als die onreine vrouw. En in haar ziekte, haar ook nog eens vernederen. Wegduwen. Bedreigen. Wegzetten als die vrouw die er niet hoort te zijn. Het tweede risico wat ze neemt is dat het niet helpt, dat ze teleurgesteld of misschien wel gedesillusioneerd afhaakt. Want er wordt wel het nodige verteld over die man uit Nazareth, die Jezus heet, maar of dat ook allemaal waar is? Of er niet veel overdreven wordt? Hoe vaak heeft ze zich zelf al niet illusies gemaakt en zichzelf van alles in het hoofd gehaald dat het nu echt goed zou komen. En hoe groot was de teleurstelling daarna?

Deze man is haar laatste kans. Ze zeggen dat er een helende kracht van deze man uitgaat. Hoe? Ze heeft er geen idee van. Ze kan alleen vermoeden dat het iets te maken heeft met de liefde van God. Dat onbegrijpelijke mysterie. Waar ze in gelooft, waarin ze veel heeft gebeden, maar tegelijkertijd er ook vaak teleurgesteld in is geraakt.

Ze gelooft in de liefde van God bij wie ze zich niet schuldig hoeft te voelen, de liefde van God bij wie ze zich ook niet hoeft te schamen, voor haar verleden niet, voor haar verlangens niet, voor haar ziekte niet. Een God die haar gekte haar niet aanrekent, die van haar houd en niets liever wil dan dat ze gezond is en dat ze een vrije vrouw is, die kan gaan en staan waar ze zelf wilt, zonder dat ze zich bedreigd hoeft te voelen. Een God die niet vies van haar is, een God die als een goede vriendin voor haar is en die voor haar uit de hemel schreeuwt; jij bent voor mij een volwaardige vrouw, een mens naar mijn beeld geschapen.

Ze is bang en schuw. Bang om te worden afgewezen, schuw om te worden herkend. En ze komt dan ook niet verder om alleen maar heel even zijn kleding aan te raken. Dat blijkt genoeg voor haar. Maar niet voor hem. Ze moet opnieuw zichtbaar gemaakt worden. Met knikkende knieën, met een rood hoofd. Maar dan klinken die bevrijdende woorden; je bent rein! Vriendin, dochter, vrouw! Daarmee wordt een slopende ziektegeschiedenis afgesloten. Een nieuwe toekomst wordt geopend. De hemel schreeuwt; jij bent mijn dochter, jij bent mijn vriendin, mijn geliefde. Je bent rein!