Mattheus 25: 31 – 40

barmhartigheidBarmhartigheid! Dit woord heeft verreweg de oudste rechten in Bijbel. De naam van God en barmhartigheid worden bijna altijd in een adem genoemd. Ze vallen zo ongeveer samen. Zo wil God gekend worden. Als een barmhartige God.

Barmhartigheid! Het is tegelijkertijd een oud woord, wat we in ons dagelijks taalgebruik in ieder geval niet snel meer tegenkomen. En waarschijnlijk niet dagelijks door ons wordt gebruikt. Waarvan we misschien niet altijd zo goed weten wat we er nu mee willen zeggen, wat we er mee bedoelen?  Over wat voor God hebben we het dan, als we het hebben over een barmhartige God?

In deze tijd wordt het woord barmhartigheid nog weleens ingewisseld voor het modernere woord “compassie”. Daar kunnen we ons misschien beter een voorstelling bij maken. Compassie met iemand hebben? Je over iemand ontfermen. Omkijken naar iemand die je nodig heeft. “Erbarme dich”, klinkt het in de Mattheus passion. Heer, ontferm U!  Dat is niet hetzelfde als medelijden. Medelijden ontaardt vaak letterlijk in mede lijden. Iemand, bewust of onbewust, bevestigen in zijn of haar lijden. Van medelijden wordt een mens over het algemeen niet gelukkiger. En God is ook geen God die medelijden heeft. Die een mens bevestigt in zijn of haar lijden. Medelijden klinkt erg passief. Terwijl het juist Bijbels is om te zeggen dat een mens uit zijn lijden moet worden verlost. Daarom kennen we God als een God die gedaan moet worden. Een God die gebeurt. Die mensen optilt en naar hen omziet om hen weer opnieuw, als nieuwe mensen in het leven te zetten. Als we zeggen dat het gaat om een God die gebeurt en als we dat beeld van God serieus nemen, dan betekent dat, dat wij mensen iets moeten.

In het Bijbelgedeelte dat we straks lezen heeft Jezus het over het kleden van de naakte, het bezoeken van de gevangenen, het voeden van de hongerige. Het zijn mensen die worstelen met hun leven. Hun vreugde en verdriet, hun pijn en liefde. Mensen die op de een of andere wijze op zijn pad zijn gekomen. Dat gaat het hem aan het hart en daarvoor komt hij in beweging. Hij maakt het begrip barmhartigheid heel praktisch. Heel uitvoerbaar. Het gaat om kennen, zien, geraakt worden en in actie komen. Dat betekent, als deze mensen op de een of andere wijze op het pad van Jezus terecht gekomen zijn, dat deze mensen ook op ons pad kunnen komen; we leren ze kennen, we worden door ze geraakt en we komen hopelijk in actie.

Dat is zeker niet alleen in grote daden, bij grote vluchtelingenstromen, bij asielzoekerscentra die in een dorp gevestigd worden. Bij grote rampen waar ook ter wereld. Dat beeld kan bij mensen een schuldgevoel oproepen. Hoe moet ik dat allemaal doen? Al die problemen van al die mensen over de wereld. Nee, wij hoeven niet al die problemen op onze nek te nemen en wij hoeven niet voor al die mensen klaar te staan! We kunnen barmhartigheid ook kleiner zien. Het begint in onze eigen buurt. Barmhartigheid is te vinden in het bezoekwerk wat gebeurt binnen en buiten de kerk, in het vrijwilligerswerk. In dat wat buren en vrienden en familie voor elkaar doen. Het gaat vaak maar om kleine dingen, maar de impact er van kan groot zijn. Je zet iemand vanuit de donkerte, al is het maar even opnieuw in het licht.

Er is ook een wederkerigheid. Niet alleen die ander koestert zich in jouw bezoek of laaft zich aan het water dat jij hem geeft, het heeft ook betekenis voor jou. Als wij aan de ander barmhartigheid doen, worden wij zelf gevoed en getroost. En je leert elkaar kennen, ook al kom je allebei uit een heel andere wereld. Dat kennen is dus nooit een eenrichtingsverkeer. De vraag is dus niet alleen, wat kan ik voor die ander doen, maar wat kan die ander ook voor mij betekenen?. Wat kan die ander van mij leren, wat kan ik van die ander leren? In dat kennen van elkaar, in dat leren aan elkaar, daar gebeurt God. In het lied van Trijntje Oosterhuis, een tekst van haar vader Huub Oosterhuis, is de “je” dan ook niet zomaar een willekeurig vriendje. Het gaat hier om een God die gekend wil worden met barmhartigheid. Een God dus die niet hooghartig is en koud. Niet onmetelijk ver en onaardig. Maar dichtbij en met ontferming bewogen.  Een God die niet bestaat, maar die gebeurt tussen mensen en daarmee juist heel concreet wordt en zichtbaar.

Ken je mij en zie je mijn nood? In het gezicht van de mens in nood herkennen wij dat wat wij God noemen en dan kunnen we weten, dat er iets staat te gebeuren. Misschien is barmhartigheid dan wel iets wat je niet kunt; een ander die op die manier op je pad komt, links laten liggen.

Ik wil eindigen met een kort verhaal:

Een joodse leermeester vroeg eens aan zijn leerlingen: hoe bepaal je het moment waarop de nacht ten einde is en de dag begint? Een van zijn leerlingen zei: Wanneer je in de verte een hond van een schaap kunt onderscheiden?

Neen, antwoordde de leermeester.

Wanneer je van verre een dadelboom van een vijgenboom kunt onderscheiden? vroeg een ander. Neen, antwoordde de leermeester.

Maar wanneer dan? vroegen zijn leerlingen.

De leermeester zei: wanneer je in het gezicht van een mens kijkt en daarin je zuster of broeder herkent. Dan weet je dat de nacht geweken is en dag is aangebroken.

liturgie grolloo 9 oktober 2016