Prediker 2: 1- 11

Het nuttige van het nutteloze.

Je kunt van Prediker erg veel zeggen, maar lef heeft hij in ieder geval wel. Hij is niet bang uitgevallen. Hij onderzoekt alles en probeert het goede te behouden. Alleen aan het eind van het verhaal lijkt het erop dat er in de visie van Prediker niet zoveel goeds is. Het was gezwoeg en had geen enkel nut onder de zon. Maar daaraan voorafgaande deed Prediker wat mensen, veel mensen, misschien niet zouden durven, maar diep in hun hart wel zouden willen. Hij zocht het in drank en in vrolijkheid. Maar hield het hoofd er wel bij. En dat alles om te ontdekken wat een mens het beste kan doen, in de korte tijd die hem het leven gegund is. Daarnaast vergaarde hij rijkdom met paleizen, wijngaarden, bomen en bossen, slaven en slavinnen en slavenkinderen. Een grote veestapel en hij maakte van zichzelf een soort Dagobert Duck die goud en zilver spaarde in pakhuizen. En alsof dat allemaal nog niet genoeg was genoot hij ook nog volop van muziek en vele, vele, vrouwen. Kortom een man die van het leven genoot. Hij heeft alles uitgeprobeerd, met zijn volle verstand. Iemand die niets tekort kwam. Maar het eind van het liedje is dat het hem niet bevredigde. Hij is teleurgesteld.

Maar even daarvoor zegt hij nog dat het loon naar werken was. De feitelijke opbrengst was dus positief. Groot paleis, veel feesten, veel vrouwen, mooie baan, goed geld. Niks mis dus. Nergens kunnen we Prediker erop betrappen dat hij ons dat leven verbiedt, dat hij dat leven in strijd acht met welk gebod dan ook. Hij verbiedt ons niet om van het leven te genieten. Hij trekt alleen een conclusie, voor zichzelf, want hij spreekt consequent in de ‘ik’ term, dat het hem niet heeft opgeleverd wat hij misschien gehoopt had dat het zou opleveren. Hij is teleurgesteld in dat leven. Hij zocht naar materiële bevrediging, die had hij ook volop gekregen, maar toch bleef er een leegte in zijn bestaan.

Prediker doet mij d1821806-ad638b5dd886e24db270c16bc618cc68enken aan mensen in deze tijd die alles uit het leven willen halen wat er in zit. Het leven moet voluit geleefd worden. Een groot huis, grote auto, een drukke baan, veel geld verdienen, veel vrienden, dure en lange vakanties en natuurlijk ook nog kinderen. En alles moet onderhouden worden en als het even kan ook nog kwalitatief goed zijn. Het leven wordt gekwalificeerd in termen van opbrengsten, van winst en verlies. En daarnaast moet het leven moet dan ook vooral leuk zijn. Het leven moet verstrooiing zijn. Niet al te moeilijk zijn. Niet teveel moeilijke vragen stellen. Er zitten weinig of geen momenten in van rust en stilte. Momenten die vaak als nutteloze tijd worden afgedaan. Want de tijd moet gevuld worden.

Als we nu eens kijken naar onszelf dan kunnen we ons zelf ook de vraag stellen wat bij ons die momenten zijn waarop wij op een zelfde manier in het leven staan. Wat zijn nu de momenten dat wij onszelf erop betrappen dat we denken in termen van opbrengsten, in termen van nuttigheid. Wat zijn nu die momenten dat wij ons ook afvragen wat het levert het ons op, dat vergaren van rijkdom, dat eindeloos blijven werken, soms hele vakanties door, omdat we onszelf onmisbaar vinden. Dat eindeloos zoeken naar verstrooiing en entertainment. Dat eindeloos wikken en wegen in relaties tussen partner, kinderen en vrienden. En tijd die niks opbrengt zetten we weg als nutteloos. De tijd die we stilzitten. De tijd dat we niets doen. We vervelen ons en dat is wel het laatste wat we willen; ons vervelen!

Het gaat dan niet om de zin van het leven, wat ook een belangrijke vraag is natuurlijk. Maar het gaat vandaag om het nut, het gaat om de opbrengst. Wat levert het leven ons op? Dat is een heel moderne vraag dus, vandaag de dag. Prediker worstelt ook met dit probleem. Hij zoekt het geluk niet in een andere wereld, hij zoekt het niet in de hemel of het hiernamaals. Hij doet geen oproep om dit aardse bestaan, met al zijn verleidingen, te ontvluchten en het alleen nog maar te zoeken in het hemelse. Prediker zoekt het hier en nu, in de wereld die wij dagelijks ervaren.

Hij staat daarmee midden in de werkelijkheid, in de realiteit van vandaag, een mens van onze tijd dus. In het positieve denken wat wij tegenwoordig ook moeten doen, tenminste dat wordt ons verteld, kan het niet anders dan dat wij Prediker maar een sombere man vinden, als hij uiteindelijk de conclusie trekt dat het allemaal lucht was en het najagen van wind. Het had geen enkele nut onder de zon. Alles blijkt vergankelijk. Van al die materialiteit blijft uiteindelijk niets over. Het blijven uiterlijkheden.

Maar met die conclusie, louter voor hem zelf, houd hij ons wel een spiegel voor. Wat is het nut van alles, kunnen wij ook leven met nutteloze? Kunnen wij geloven in het nutteloze? Kunnen wij recht verschaffen aan het nutteloze? Wat is het nuttige van het nutteloze? Daar kunnen we veel vragen op loslaten. Is geloven nuttig of nutteloos? Is de kerk nuttig of nutteloos? Is vriendschap nuttig of nutteloos? Als alles wat nutteloos is ook belangeloos is dan heeft geen waarde in termen van economische en materiële opbrengsten. In termen van materiële opbrengsten levert het geloof ons niet veel op. En wat de kerk betreft; resultaten uit het verleden, zijn geen garantie voor de toekomst!

Maar als we zouden geloven of naar de kerk gaan of vriendschap sluiten omdat we er zelf beter willen worden, mogen we ons ook afvragen wat dan onze diepste motieven zijn. Gaat het dan om mezelf, om de ander of om God. En als blijkt dat de resultaten tegenvallen, schrijven we ze dan ook even makkelijk af op onze balans?

De kwaliteit van het leven, kwaliteit van geloven, de kwaliteit van God, hangt niet af van materiële zaken. Zelfs als we God in overvloed bij ons zouden hebben zou het leiden tot hebzucht, tot alleen maar meer en meer God willen hebben. Misschien is het enige wat Prediker vandaag beoogt; ons te waarschuwen. Grote woorden, goede sier, ijdelheid, groot vertoon, het overleeft niet. Het gaat uiteindelijk om grotere zakeimagesn, om recht voor het nutteloze! Maar dat betekent niet, dat we niet van het leven zouden mogen genieten.