Psalm 137

Overdenking zondag 18 december 2016. Protestantse gemeente Grolloo-Schoonloo

Psalm 137

Psalm 137 doet mij denken aan een praktijk die uit de tweede wereldoorlog bekend is. Gedetineerde, ten dode opgeschrevene in de concentratiekampen, probeerde nog iets van het leven te maken door middel van muziek. Er werd gemusiceerd en toneel gespeeld tegen de dood in. Want iedere dag kon het leven voorbij zijn, dus ook morgen al. Het was een middel om de doodsangst voor even te verdrijven. Om even boven de dood uit te stijgen.

Maar het waren ook de tirannen in die oorlog, die niet zelden hun slachtoffers uitnodigde om voor hen te musiceren. Het lijkt het cynisme ten top. De beulen willen worden vermaakt door hun eigen slachtoffers, om hen vervolgens morgen naar de gaskamer te voeren.

Muziek, dood en verwoesting het lijkt altijd in schril contrast te staan met elkaar. Denken we ook nog even aan dat beeld van die pianospeler, die piano speelt tussen de verwoestingen van de Syrische oorlog. Of die danser die te midden van de puinhopen van Aleppo de schoonheid van de dans laat zien. Muziek, oorlog en onderdrukking, het lijkt niet samen te gaan!

Aan de oevers van de rivier bij Babylon. Daar zit het volk. Weggevoerd van hun eigen land. Voor een deel uitgemoord. Het andere deel gebruikt als dwangarbeiders. Met altijd het risico van de dood, ieder moment van de dag. Overgeleverd aan de grillen van de beulen. Aan de oevers van de rivier zitten ze. En waarom ze daar zitten, geen idee! Maar we weten wel wat ze doormaken. Wanhoop en vertwijfeling en verlangen. Verlangen naar huis, hun eigen bed, hun eigen tafel. Hun eigen familie en vrienden. Maar ook de wanhoop en de vertwijfeling of dat ooit nog wel haalbaar zal zijn. Of ze hun eigen stad ooit nog zullen zien.

En onder die omstandigheden wordt hen gevraagd te zingen. Hoe durfde die beulen dat te vragen? Hadden ze dan werkelijk geen greintje gevoel in hun donder? Dan vragen ze ook nog om een vrolijk lied! De dichter van de psalm vraagt zich af; hoe kan ik zingen? Hoe kan ik vrolijk zingen in onderdrukking? Hoe kan ik zingen als ik treur over dat wat ik kwijt geraakt ben? Hoe kan ik zingen als Jeruzalem is verwoest? Hoe kan ik God prijzen als die mijlen ver weg lijkt? Als mijn gedachten worden gevormd door wraak, door hoop dat eens deze stad, aan de oever van deze rivier, zal worden vernietigd. Dat zijn kinderen te pletter zullen vallen op de rotsen. En wij?  Wij vrij zullen dan zijn. Vertel me; hoe kan ik dan zingen?

Tegelijkertijd leert de geschiedenis ons dat mensen altijd gezongen hebben. Ook in tijden van verdriet, in tijden van onderdrukking en uitbuiting. De gospels, de negro spirituals, de blues, de psalmen het zijn liederen van bevrijding. Bob Marley noemt ze; verlossingsliedjes. Liederen waar enerzijds in beschreven wordt de schrijnende situatie waarin mensen verkeren, maar waar anderzijds de hoop vanaf spat. Het zijn adventsliederen die getuigen van een nieuwe toekomst, die hoop geven op een ander leven. Liedjes die je bevrijden van geestelijke slavernij. Want slavernij gaat ook altijd gepaard met geestelijke slavernij, waarin je gedachten beheerst worden door je omstandigheden. Waarin je jezelf nog verder de put in kunt praten, dan je al zit. Waarin je gaat geloven dat het zo hoort, dat de onderdrukking waarin je zit, normaal zou zijn. Waarin je er steeds meer van overtuigd kunt raken dat het je eigen schuld is.

Help me met zingen, vraagt Bob Marley. De liederen van de vrijheid. Want dat is het enige dat we nog hebben. Liederen van vrijheid. Dat is tegelijkertijd het cruciale verschil met psalm 137. Deze liederen van vrijheid komen uit mensen zelf. Uit het diepst van hun ziel. Deze liederen dienen de mensen zelf, beuren hen op. Houden hen op de been. Schetsen hen een perspectief van vrijheid.

De beulen van de concentratiekampen, aan de oevers van de rivier van Babylon wilde liederen horen die hén zouden opvrolijken. Ze waren niet geïnteresseerd in het lot van hun gevangene. En ze wilde hen al helemaal niet een perspectief van vrijheid bieden. Dat is waarom de mensen niet konden zingen. Omdat het hen niets bood, geen enkel perspectief. Maar vooral ook omdat het niet uit hen zelf kwam.

Gezangen van een nieuwe toekomst. Woorden van geloof. Geloof in een God. We kunnen het niet verbieden, maar ook niet afdwingen. Ze moeten uit onszelf komen. Ze moeten zijn doorleeft, door ons heen gegaan zijn. Pas dan krijgen ze zeggingskracht. Dan is het echt advent, als het geloof in een nieuwe toekomst, uit onszelf komt. Als we er ten diepste van overtuigd zijn dat er een tijd van vrede kan aanbreken. Laten we niet zeggen dat niet mensen niet geloven. Ieder mens gelooft, als deze, uit zichzelf, kan blijven zingen, tegen de dood in.

liturgie-grolloo-18-december