Roddel en achterklap

In de kern is de boodschap van Jacobus vanmorgen: ondermijn de gemeenschap niet door roddels en ongefundeerde oordelen. Maar om het iets beter te kunnen begrijpen moeten we eigenlijk even terug naar het begin van de brief van Jacobus. Hij richt zich tot de “broeders en zusters van de twaalf stammen in de diaspora”. In tegenstelling tot Paulus richt hij zich niet tot een specifieke gemeente, maar aan de twaalf stammen in en rond Jeruzalem. En dan moeten we bedenken dat Jacobus zijn brief schreef zo ongeveer 70 jaar na Christus. Het is oorlog en de tempel staat op het punt om vernietigd te worden. In die context spreekt hij over broeders en zusters. Niet alleen staat de tempel op het punt van omvallen, door buitenlandse machthebbers, maar ook de geloofsgemeenschap staat onder druk door interne twisten, roddels en achterklap.

Het centrale thema in de brief van Jacobus is rechtvaardigheid. Jacobus gebruikt het begrip rechtvaardigheid in zijn volle omvang. Rechtvaardig staan voor God en rechtvaardige relaties hebben. Dat heeft alles te maken met je broeders en zusters.  Het een kan niet zonder het ander. Broeders en zusters hebben het goed met elkaar en hebben elkaar nodig, wat zich daarin ook aandient. Ze laten elkaar niet los, ondermijnen elkaar niet. En oordelen niet over elkaar. Het past nooit om zo met elkaar om te gaan, zegt Jacobus. Maar zeker niet in tijden van nood.  In zijn brief neemt hij geen blad voor de mond, is hij ook heel praktisch ingesteld. Verwacht van Jacobus geen doorwrochte filosofieën, zoals we die bij Johannes wel tegenkomen. Maar eerder is het een brief “recht voor zijn raap” waar je je, als aangesprokene, uitermate ongemakkelijk bij kunt voelen.

Jacobus adresseert zijn brief aan “de broeders en zusters” niet als een familiare klefheid. Niet als een idylle, want het is goed om erop te wijzen dat het eerste broederschapsverhaal in de Bijbel een verhaal is van moord: Kain en Abel! Broederschap is niet iets waar je alleen door geboorte aan elkaar wordt voorgesteld. Maar in broeder- en zusterschap verwijst Jacobus naar de schepping. Hij wijst daarmee op de toekomst. Wil je als gemeenschap een toekomst hebben dan moet je broeders en zusters zijn. In alle openheid en eerlijkheid. In alles wat zich daarin aandient.

Laten we eerlijk zijn. De woorden van Jacobus kunnen ons niet vreemd in de oren klinken. Niets menselijks is ons vreemd. Wie van ons heeft de afgelopen periode niet meegedaan aan een roddel, aan een oordeel over iemand? En misschien voelde dat ook wel goed. Want een roddel of een oordeel over iemand is een vorm van hoogmoedigheid. Een moralisme dat ons boven de ander stelt. Want niet zelden gaat een roddel over iets wat wij nooit zouden doen of dat ons nooit zou overkomen. En het oordeel over de ander zet ons zelf altijd in een beter licht. Maakt onszelf altijd betere mensen. Daardoor is het oordeel nooit objectief. Er zit altijd een vorm van moralisme in. Moralisme komt bovendrijven zo gauw er sprake is van naijver; dan zoekt de afgunstige een alibi in de zedelijkheid. Waarin wij wel even zullen bepalen wat zedelijk is en wie goed en slecht is. Waarin wij wel even zullen bepalen of wij de ander zullen verheffen, als het verhaal in ons straatje past, danwel in het verderf zullen storten. Het oordeel over de ander wordt vaak geveld, zonder dat we de moeite nemen, of misschien beter gezegd de moed hebben om die ander er naar te vragen. Moed, is misschien een beter woord. Want als we de moed zouden hebben om die ander er naar te vragen, dan moeten we ons confronteren met onszelf. Dat is vele malen ingewikkelder dan vanaf een veilige afstand een oordeel te vellen. Roddels en ongefundeerde oordelen ondermijnen altijd de gemeenschap. Want ze bewegen zich altijd ondergronds, zijn ongrijpbaar en altijd verdwenen als het onderwerp zelf in de buurt is.  Met deze houding doen wij mensen onrecht, wij ontrechten mensen om hun eigen verhaal aan ons te vertellen,  om oprecht en betrokken naar hun verhaal te luisteren, want wij weten toch wel hoe het zit.  Henk Jongerius zegt in het lied: “leer ons luisteren naar de Geest, die doven horen doet!

En als we dat gezegd hebben dan komt hij nog een keer met die vraag. Wie bent u om uw naaste te veroordelen? Nu moeten we toch nog even opletten. Want plotseling heeft Jacobus het hier niet over broeders en zusters, maar over naaste! Daar waar hij met “broeders en zusters” verwees naar de schepping, verwees naar de toekomst, voegt hij er hier nog een element aan toe. Want je “naaste” heeft vooral betrekking op de gerechtigheid, de rechtvaardigheid buiten je eigen gemeenschap om. Dan wordt het dus extra spannend. Niet alleen niet oordelen over je broeders en zusters, maar oordeel ook niet over mensen die niet direct tot jouw gemeenschap behoren. Die zelfs helemaal niet tot jouw gemeenschap behoren. Die een vreemde voor je zijn. Die je misschien zelfs tegenstaan. Ook voor deze mensen geldt: er is maar een aan wie het oordeel toekomt!

Jacobus, en zo kennen we hem, moraliseert niet. Hij schets geen beeld van een ideaal, geen filosofie van hooggestemde gevoelens, die een ieder voor zich uit kan schuiven, niet tot daden verplicht. Hij stelt ons, met onze broeders en  zusters, met ons naaste, in een wereld waarin wij ons vandaag al bevinden. Weliswaar een gebroken wereld, maar een wereld waarin niets hoeft te worden vereffend ten opzichte van ons. Waarin rechtvaardigheid in zijn volle omvang gedaan kan worden. Ieder op zijn eigen plaats en naar zijn eigen mogelijkheden. Waarin wij eenvoudigweg geen tijd hebben voor moralisme, want er is werk aan de winkel. Als een mens gered moet worden vragen we niet eerst naar zijn verzekeringspolis. Vragen we niet eerst naar zijn levenswandel en levenskeuze. Maar dan moeten we handelen. Wij zijn naaste ontdekt, ontdekt te zijner tijd ook wie zijn broeders en zusters zijn. Daarvoor ligt echter geen confectie maatpak klaar waar iedereen in moet passen. Maar moeten we op zoek naar de wijsheid, ons gegeven als maaksel van zijn hand.