Smartlappendienst (Ach vader lief, toe drink niet meer)

 

Ach vaderlief, toe drink niet meer
Ik vroeg´t al zo menige keer
Want moesjelief huilt telkens weer
Ach vaderlief, toe drink niet meer.

Een moeder zit stil bij´t fornuis
Aan´t raam staat verdrietig haar kind
Want nog steeds is vader niet thuis
Omdat hij´t weekloon verdrinkt
Dan rent plots het kind door de kou
En hoort in een kroeg vader´s stem
Het pakt hem bedeesd bij zijn mouw
En vraagt dan met bevende stem

Refr.

De man stoot´t kind van zich af
Dat valt met een smak op de grond
Dan ziet hij vol schrik tot z´n straf
´t Hoofdje is bloedend verwond
Vol schaamte brengt hij dan z´n kind
Terug naar z´n huis en z´n vrouw
Terwijl ze het hoofdje verbindt
Zegt vader vol innig berouw

Je vaderlief die drinkt niet meer
Je vroeg´t al zo menige keer
Dus moesjelief, kom huil niet meer
Want vaderlief, die drinkt niet meer

Dus moesjelief, kom huil niet meer
Want vaderlief die drinkt niet meer……

Psalm 42

1 Zoals een hinde om waterstromen schreeuwt,

zo schreeuwt mijn keel naar U, God.

3 Mijn keel dorst naar God,

naar de levende God.

Wanneer mag ik bij God komen,

en zijn aanschijn zien?

4 Mijn tranen zijn voor mij

voedsel voor de dag en de nacht,

heel de dag hoor ik almaar zeggen:

‘Waar is die God van jou?’

5 Dit alles bedenk ik

en ik laat mijn gemoed de vrije loop:

wanneer ik optrek in de stoet,

met de anderen optrek naar Gods ​huis,

in een feestelijke stoet,

waar alles van dankbaarheid zingt en danst.

6 Waarom, mijn ziel, zo moedeloos?

Waarom zo vol zelfbeklag?

Wacht toch op God:

eens komt de dag dat ik danken mag,

mijn God, mijn redding.

7 Ik ben zo zielsbedroefd,

en almaar moet ik aan U denken

vanuit dit land van neergang en van netten,

vanaf de geringe berg.

8 Van afgrond naar afgrond weergalmt

het luide bruisen van uw watervallen;

al uw springvloeden en uw golven

storten over mij heen.

9 De HEER zendt mij bij dag zijn ​genade,

’s nachts zing ik een ​lied​ voor Hem,

een smeekbede tot de God van mijn leven.

10 En zo zeg ik tegen God: ‘Mijn rots,

waarom vergeet U mij?

Waarom moet ik in zak en as zitten,

door mijn vijanden vernederd?’

11 Terwijl heimwee mijn ​hart​ verteert,

sarren mijn tegenstanders mij,

heel de dag hoor ik almaar zeggen:

‘Waar is die God van jou?’

12 Waarom, mijn ziel, zo moedeloos?

Waarom zo vol zelfbeklag?

Wacht toch op God:

eens komt de dag dat ik danken mag

mijn God, mijn redding.

Overweging

Moedeloos ben ik, opstandig…zegt de psalm. De schrijver verlangt naar het zuivere water, zoals een hert reikhalst naar water. En water is leven. Maar wat is dat zuivere leven?  Het zuivere leven is in ieder geval geen leven van verslaving en geweld. En het lied, ach vaderlief, toe drink niet meer, laat zien dat verslaving onvermijdelijk kan leiden tot geweld. Het trieste van het lied is ook dat het kind smeekt vader om te stoppen met drinken. Maar als je goed luistert doet ze dat niet voor zichzelf, maar dat doet ze voor haar moeder. Het kind neemt de ouderrol op zich, door haar moeder te willen beschermen tegen de drankzucht van haar vader. We zouden het eerder andersom verwachten.

Gekweld en vernederd, moedeloos ben ik en opstandig, ik zal op u wachten. Het zijn de thema’s van het lied. Moeder wacht, ogenschijnlijk moedeloos, aan het fornuis, waar geen eten op komt, omdat vader het verdronken heeft. Ze wacht tot vader weer thuis komt en ze weet in welke toestand hij weer thuis zal komen. Hoe vernederd kun je worden als vrouw zijnde, als je man zich verzuipt in de drank? Hoe vernederd kun je worden als kind, als je vader zich van je afstoot door de drank. Kun je als kind nog dromen van een zuiver leven als je al jong de rol moet dragen om je moeder te beschermen. Kun je als kind nog dromen van een zuiver leven als je leven in het teken staat van verslaving, van drank, van armoede.

In mijn werk in Groningen als pastor bij verslaafde kwam ik geregeld dit beeld tegen. Het gebroken leven, dat staat tegenover het zuivere leven. Het gebroken leven van ouders die hun kind te onder zien gaan aan verslaving. Maar ook het gebroken leven van een kind dat die verslaving niet kan weerstaan. Het gebroken leven van een kind dat haar vader of moeder ten onder ziet gaan aan de verslaving. Zielsbedroefd! Kunnen we ons er dan iets bij voorstellen dat een mens dan denkt; waarom heeft God mij vergeten?

Het kind troost moeder; “moesjelief kom huil niet meer, want vader lief die drinkt niet meer”.  Moeder troost niet het kind, terwijl dat in de lijn zou liggen. En het staat ook in schril contrast met het einde van de psalm, dat we zouden kunnen vertalen met de woorden van het kind;  Jij bent mijn lijfsbehoud, jij bent mijn moeder!