Smartlappendienst (Blinde ogen)

Ik weet nog goed, toen in jouw blauwe ogen

’t Licht nog niet voorgoed was uitgeblust
Hoe we saam vaak door de velden zwierven
Bloemen plukken was je grootste lust
Met je blos van kinderlijke blijdschap
Was je dan een lentebloem gelijk
Kind, ik moet niet aan die uren denken
Als ik naar je blinde ogen kijk

Iedereen vond jou zo’n lieve engel
Iedereen vond jou zo’n echte schat
Vreemde mensen zeiden honderd malen
Dat jij zulke mooie ogen had
Ik had wel zorgen in die goeie dagen
Doch met jou gevoelde ik me rijk
Ik twijfel nu aan hemel en aan aarde
Als ik naar je blinde ogen kijk

Ja, je was de appel mijner ogen
Ik hield van jou altijd het allermeest
Ik heb misschien te veel van jou gehouden
Ik ben wellicht te trots op jou geweest
Jouw bezit was mij de grootste weelde
Heel m’n hart hing aan jouw liefdeblijk
Kind, ik voel zo’n eindeloos verlangen
Als ik naar je blinde ogen kijk

Zie ik soms ’n bedelende blinde
O, dan krimpt m’n hart ineen van pijn
Ik vraag me af of dat jouw lot zal worden
Als ik er eenmaal niet meer zal zijn
Ik denk aan jou, als ik zo’n arme stumper
Bevend dan m’n poov’re aalmoes reik
Kind, ik voel zo’n angst om eens te sterven
Als ik naar je blinde ogen kijk

Psalm 116

De HEER heb ik lief:

Hij heeft mijn ​bidden​ en smeken gehoord.

2 Aandachtig heeft Hij geluisterd

op het moment dat ik tot Hem riep.

3 Toen de lasso’s van de dood mij omsnoerden,

helleketens mij knevelden,

beklemmende angst mij overviel,

4 riep ik de HEER bij zijn naam:

‘HEER, ach, red toch mijn leven.’

5 De HEER is ​genadig, de HEER is ​rechtvaardig,

vol medelijden is onze God.

6 De HEER neemt de eenvoudige in bescherming:

Hij heeft mij gered toen ik hulpeloos was.

7 Ach, kom, mijn ziel, kom tot rust,

de HEER heeft je goed gedaan.

8 U hebt mij bevrijd van de dood,

mijn ogen van tranen verlost,

mijn voeten van vallen gered.

9 Zo mag ik weer met de HEER verkeren,

terug in het land van de levenden.

10 Ik behield mijn vertrouwen, al moest ik ook zeggen:

‘Hier lig ik zo diep vernederd’;

11 al bleef ik ook denken in mijn angst:

‘Ik kan geen mens meer vertrouwen.’

12 Wat zal ik op mijn beurt aan de HEER geven

voor al het goede aan mij besteed?

13 Ik hef de ​beker​ tot dank voor uw weldaad,

de naam van de HEER roep ik uit.

14 Mijn geloften aan de HEER kom ik na,

zodat iedereen het ziet, voor heel zijn volk.

15 Zwaar valt de HEER

het sterven van zijn getrouwen.

16 Ach, zie HEER, ik ben uw dienaar,

uw dienaar ben ik, ​kind​ van uw dienares,

U hebt mijn boeien losgemaakt.

17 Ik draag een ​dankoffer​ aan U op

en de naam van de HEER roep ik uit.

18 Mijn geloften aan de HEER kom ik na,

zodat iedereen het ziet, voor heel zijn volk,

19 in de voorhof van het ​huis​ van de HEER,

in uw midden, Jeruzalem.

Overweging
  • Ik heb jou lief….luisterende genegene, naar mij toegebogen.

De liefde spat er vanaf. In mooie woorden, in het lied “de blinde ogen”. Let op die prachtige woorden; kinderlijke blijdschap, lentebloem, lieve engel, echte schat, de appel mijner ogen, eindeloos verlangen. Hoe mooi kun je de liefde uitdrukken? En we zouden ons volmaakt gelukkig wanen, als we niet beter zouden weten. Maar we weten beter. Het is een lied van verdriet. Een lied van een kind met ogen die niet meer kunnen zien. Een lied van angst over de toekomst. Een lied van moeten loslaten, terwijl je niet wilt loslaten, niet kunt loslaten, om de hulpeloosheid van de ander.

  • Ik heb jou lief, jij hoort mijn stem, mijn prevelende lippen…..

Als je bind bent dan leef je op de tast en op het gevoel en op de stem van een ander. De liefde van de ander kun je voelen in zijn of haar handen, in zijn of haar lichaam. Maar je kunt de liefde voor de ander niet meer in je ogen laten zien. Je kunt je ogen niet meer laten stralen. Alleen de tranen heb je nog. Tranen van verdriet! En de stem! Die jou prevelend, biddend, vleiend, vloekend, tierend, kan vertellen hoeveel ik van je houd. Kun je teveel van iemand houden?

  • Weet je nog, hoe wij begonnen zijn?

Ik weet het nog, toen jij uit de moederschoot kwam. Toen je groot genoeg was. We zwierven samen door de velden. We plukte bloemen, dat was onze grote lust. Met kinderlijke blijdschap. Jij was mijn oogappeltje. Heel mijn hart hing aan jouw liefdeblijk. En ik zag voor jou een mooie toekomst. Maar nu weet ik niet meer hoe jouw toekomst eruit ziet. Als die bedelende blinde in de grote stad?

  • Ik heb jou lief…….toegenegene

Dat maakt ook mijn zorg. Want als je oprecht van iemand houd, je kind, het dierbaarste wat je bezit, dan wil je die niet kwijt. Dan wil je er altijd voor hem zijn. Je blijft voor altijd mijn kind, die getroost wordt door zijn moeder, ook al ben je volwassen.

Maar wie gaat er straks voor jou zorgen, mijn kind, als ik er niet meer ben?  Ik kan je toch niet hulpeloos achterlaten? Begrijp je mijn zorg, ook al hoor ik nog zo vaak; ik heb lief jou……