Smartlappendienst (Droomland)

 

Heerlijk land van mijn dromen,hier ergens ver vandaan

Waar ik zo graag wil komen, daar waar geen leed kan bestaan.

Droomland, droomland, hh, ik verlang zo naar droomland

Daar is steeds vree, dus ga met mij mee. Samen naar ’t heerlijke droomland

Zwerver gij vindt daar vrede, zieke gij kent geen pijn

Daar wordt geen strijd gestreden, daar waar mijn broeders nog zijn

Droomland, droomland, oh, ik verlang zo naar droomland

Daar is steeds vree, dus ga met mij mee, samen naar ’t heerlijke droomland

Daar is steeds vree, dus ga met mij mee, samen naar ’t heerlijke droomland

Droomland, droomland, oh, ik verlang zo naar droomland

Daar is steeds vree, dus ga met mij mee, samen naar ’t heerlijke droomland.

 

Psalm 137

Aan de rivieren van Babel,

daar zaten wij treurend

en dachten aan Sion.

2 In de wilgen op de oever

hingen wij onze lieren.

3 Daar durfden onze bewakers

te vragen om een ​lied,

daar vroegen onze beulen:

‘Zing voor ons

een vrolijk ​lied​ uit Sion.’

4 Hoe kunnen wij zingen

een ​lied​ van de HEER

op vreemde grond?

5 Als ik jou vergeet, Jeruzalem,

laat dan mijn hand de snaren vergeten.

6 Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven

als ik niet meer denk aan jou,

als ik Jeruzalem niet stel

boven alles wat mij verheugt.

7 Gedenk, HEER,

de dag van Jeruzalems val,

toen het volk van ​Edom​ zei:

‘Neer met die stad, neer,

maak haar met de grond gelijk.’

8 Babel, weldra word je verwoest.

Gelukkig hij die wraak zal nemen

en jou doet wat jij ons hebt gedaan.

9 Gelukkig hij die jouw ​kinderen​ grijpt

en op de rotsen verplettert.

Overweging

Je moet je voorstellen wij zijn een groepje armoedzaaiers, die ons land niet zijn ontvlucht, om er zelf beter van te worden, maar we zijn weggevoerd als krijgsgevangene, naar een ander land, naar een concentratiekamp. Daar zijn we vernederd door hun bewakers, die wilde genieten van onze mooie liedjes. Maar hoe konden we zingen, terwijl we gevangen zaten? We hebben allemaal gemeen dat we terug verlangen naar ons eigen land. Naar ons moederland. Ons droomland.

We zitten met elkaar aan de rivier “de Babylon”.  En we vertellen elkaar verhalen over ons eigen land. Hoe mooi dat was, dat er voldoende eten en drinken was. De prachtige bergen, de wuivende korenvelden, de brede rivieren. We vertellen elkaar over onze prachtige stad; Jeruzalem. Met zijn pleinen en straten, zijn cafe’s en restaurants. Tot diep in de nacht open en uit al die etablissementen klonk vrolijke muziek.

Maar wij zijn ver weg van ons droomland. We hebben het al jaren niet meer gezien en we hebben ook al jaren geen contact meer met de mensen die er zijn achtergebleven. Sterker nog, we weten niet eens of die mensen nog wel leven.

En in ons beeld wordt ons land steeds mooier. Zeker niet perfect. Maar altijd mooier als dat waar we nu leven. Het wordt echt ons droomland. Ergens hier ver vandaan, hoever weten we eigenlijk niet eens precies. Het land waar onze broeders en zusters nog wonen. Een land waar geen oorlog is. Geen droogte en geen hongersnood. Waar goede ziekenhuizen waren en deskundige artsen.

Ik geef toe, het is onze manier om onze eigen ellende te vergeten. Om boven ons eigen noodlot uit te zingen.

Maar niemand kan ons verbieden om te dromen. Ook al weten we diep in ons hart best wel dat het allemaal niet perfect was en ook niet perfect zal zijn, als we er ooit terugkeren. Als we niet meer dromen is er ook geen hoop meer en als er geen hoop meer is, is er ook geen leven meer.

Niemand kan ons verbieden om plezier te maken, om te zingen van ons droomland, ons moederland, maar dan zingen we niet voor onze onderdrukkers, maar voor ons zelf.