Vloeken in de kerk (psalm 130)

Wij vloeken niet!

En we vloeken al zeker niet in de kerk! Toch?

In ons moraal is vloeken iets wat je niet doet! Het is een fatsoensnorm geworden! Het gebruik van krachttermen is slechts voorbehouden aan onverwachte momenten van hevige pijn en grote emotie. Maar zelfs daarin worden wij geacht ons in acht te nemen, want daarin geldt het idee dat we dan toch vooral niet de Gods naam mogen gebruiken. Vloeken en het gebruik van de Gods naam zijn in onze cultuur een op een aan elkaar gekoppeld.

De bond tegen het vloeken “is een stichting die zich inzet voor respectvol taalgebruik en tegen vloeken en schelden. Vloeken is het verkeerd gebruiken van de Naam van God en schelden is het kwetsen van medemensen door grove taal. De Bond tegen vloeken strijdt hiertegen, vanuit de overtuiging dat de Gods Naam heilig is en ieder mens even veel waard is” (einde citaat op hun website).

Dit alles is gebaseerd op Exodus 20:7. “Misbruik de naam van de Heer uw God niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan”. In de oude Bijbelvertaling van 1951, stond daar iets anders: “Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken, want de Here zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt”.

De naam van God niet ijdel gebruiken. God niet voor ons eigen karretje spannen. Onszelf niet belangrijker, niet mooier achten, dan God. Dat roept ook onmiddellijk de vraag op wat dat dan is; de Gods naam ijdel gebruiken? Wanneer gaat gebruik van de Godsnaam over in misbruik? Wanneer gaat het aanroepen van de Gods naam over in vloeken? En wat is dat, “het verkeerd gebruiken van de naam van God”, zoals de Bond tegen het vloeken op hun website zetten.

Mogelijk moeten we leren om een onderscheid te maken tussen dat wat als “een fatsoensnorm” geldt en het gebruik van de Gods naam. Want mogelijk zouden dat weleens twee totaal verschillende dingen kunnen zijn.

Ik maak dit uitstapje omdat psalm 130 een psalm is waarin de Gods naam wordt aangeroepen. Het is wel duidelijk, de schrijver van psalm 130 zit diep in de ellende. “Uit de diepte”, roep hij tot God.  “Uit diepe nood” heeft Luther het ooit vertaald. Maar wat die diepe nood precies is, dat wordt niet genoemd in deze psalm. Zijn dat de ondoorgrondelijkheden van de Gods naam, die voor mensen maar moeilijk te bevatten zijn? Is dat de gevoelde afwezigheid? Zonder dat we ons kunnen voorstellen dat God afwezig is? Wat is die diepe nood van de dichter? Is dat niets meer verwachten van het leven? Het leven weggezakt in liefdeloosheid, in de schimmige wereld van dementie, in een verwarde troep in je hoofd? Of zijn het de loopgraven van de oorlogen, het sterven van je kind door honger en dorst? Te midden van die ellende klinkt die stem die de Gods naam aanroept. Een stem die roept! Met stemverheffing dus. Nu dus eens niet zacht prevelend, in een stil gebed, bescheiden vragend, in mooie volzinnen geformuleerd. Maar met stemverheffing, hard en ruw en grof. Blijkbaar de enige manier, voor de dichter, om nog gehoord te worden, om nog de aandacht te krijgen van wat we wij god noemen.  Wie zou hem dat durven kwalijk nemen, als je alleen op deze manier nog gehoord wordt. Als dit de enige manier is om je machteloosheid, je diepe frustratie, je alleen voelen, te uiten. Wie zou hem dan durven betichten van misbruik van de gods naam. Van het verkeerd gebruiken van de gods naam.

Is dit dan anders dan de schreeuw die we horen op goede vrijdag; “god, mijn god waarom hebt gij mij verlaten?”.  De mens, stervend aan het kruis, verraden door de mensen om hem heen, voelt zich van god en alles verlaten. En het enige dat nog rest is, in zijn machteloosheid, God aan te roepen, om het kwaad dat deze goede mens trof, te verdoemen. Kunnen wij ons voorstellen dat iemand in zijn diepste nood zich door god verlaten voelt? Kunnen we ons voorstellen dat god een mens in zijn diepste nood zou verlaten? We leven toch vanuit de belofte dat deze nooit laat varen het werk dat zijn hand begon?  Ja, in de diepste nood kan een mens zich van god verlaten voelen, dat blijkt bij uitstek op goede vrijdag en dat blijkt als je geregeld wordt geconfronteerd met de verhalen van mensen over die diepste nood. Dat staat los van de vraag of god de mens dan daadwerkelijk verlaten heeft.

Kunnen wij meevoelen dat mensen zo diep in de nood kunnen zitten dat er niets anders overblijft dan vloeken? Niet om god verantwoordelijk te maken voor de nood. Dat zou weleens misbruik kunnen zijn van de gods naam. Dat zou god voor ons karretje spannen, kunnen zijn. Dat doet de dichter dan ook niet. Deze maakt god niet verantwoordelijk voor de nood waarin hij zit, maar roept vanuit zijn nood god aan. Vanuit het diepste geloof dat god de lijdende mens nooit zal verlaten. Of die nu leeft hier in Westerbork of in de woestijnen in Afrika. Of deze nu ten diepste lijdt aan de liefde of het gebrek daar aan, danwel dat deze lijdt aan honger en dorst.

De gods naam gebruiken getuigt van een diep vertrouwen dat deze er zal zijn. Bij deze is bevrijding, altijd weer. Maar het zoeken naar die bevrijding, de eindeloze weg waar geen eind aan lijkt te komen, kan tegelijkertijd bij mensen zoveel wanhoop oproepen, dat we niet gek moeten staan te kijken als de gods naam weleens gebruikt wordt op een wijze die niet past onze in burgerlijke fatsoensnorm.

Laten we niet te makkelijk en te lichtvaardig oordelen over de mens, die in het diepst van zijn nood, “god, mijn goed, waarom hebt gij mij verlaten”, misschien ook wel uit machteloosheid, de gods naam gebruikt op een wijze die niet geheel past in onze fatsoensnorm.  God verdoem het kwaad! Misschien moeten we wat minder bang zijn om, als dat nodig is, te vloeken in de kerk. Wat misschien klinkt als “vloeken in de kerk” kan weleens ten diepste een gebed zijn om aandacht, een roep om de stem horen, een vraag om genade, een getuigenis van een diep vertrouwen.

Is dat het verkeerd gebruiken van de Gods naam?

liturgie Stefanuskerk 9 juli 2017