Windows of my eyes

Window-Of-My-Eyes-covero Lied: Windows of my eyes
Door het venster van mijn ogen,
kan ik de regenachtige dag zien.
Zittend in de stoel
in mijn kille kamer,
zoekend naar een manier
om te zijn wie ik ben.

Het is nutteloos te huilen
om de dingen die ik eens gekend heb, denkend dat ze terug zullen komen en mijn huis weer bereiken.

Het is als een ver, als een ver gezicht,
het is als een schaduw op mijn muur,
iets wat ik niet kan aanraken.
Een hemels verleden dat roept,
de schuilplaats van mijn gemoed
verbergt mijn lach en mijn traan.
En ik blijf zoeken naar een reden die er niet is

Door het venster van mijn ogen
kan ik de regenachtige dag zien.
Zittend in de stoel
in mijn kille kamer,
zoekend naar een manier
om te zijn wie ik ben.

Het is nutteloos te huilen
om de dingen die ik eens gekend heb,
denkend dat ze terug zullen komen
en mijn huis weer bereiken.

Overweging zondag 21 februari 2016.

Het is het melancholieke van de blues dat in al zijn al zijn vezels, in de muziek, in al zijn regels en woorden doorklinkt in het lied; Windows of my Eyes. In de muziek van de ziel, die zijn oorsprong vindt in de gospels en negrospirituals bij de slaven uit Afrika en het zuiden van Amerika, eind 1800-begin 1900. Muziek wat voor deze mensen de enige manier was om het lijden uit te drukken en te verzachten. In de muziek konden ze hun gevoelens, hun zoektocht naar wie zij waren en waar ze vandaan kwamen en wat er verloren was gegaan, vrijelijk uiten.

De dichter in het lied “Windows of my eyes” is op zoek naar iets in zichzelf. Een hemels verleden, dat roept? Het onbereikbare? Een verïdealiseerd verleden? Een verleden waarin het geluk gevoeld werd? Blijkbaar iets wat hem zelf overstijgt. Iets dat hem uniek maakt. Iets dat hem maakt tot wie hij is. Hij zoekt naar een manier om te zijn wie hij is. Daar is helemaal niets mis mee. Want ieder mens heeft iets in zich, dat hem of haar uniek maakt. Dat hem of haar geliefd of gehaat maakt. Zonder dat je precies van jezelf weet, wat dat dan is.

Maar hij is op zoek naar iets dat verloren is gegaan. Dat er voor zijn gevoel eerder wel is geweest. Een gevoel van geluk? Hett stemt hem blijkbaar somber, een regenachtige dag, een kille kamer, dat dat gevoel er niet meer is. Hij weet heel goed dat hij, dat wat hij zoekt, niet in het verleden moet zoeken. Want het verleden is als een schaduw die de zon verduistert. Het verleden achtervolgt hem als een schaduw op de muur. Daar waar schaduw is, kan de zon niet schijnen. De dichter is er zich ernstig van bewust dat, dat wat vroeger was nooit meer terug zal komen. Het is nutteloos zegt hij om te huilen om de dingen die nooit meer terug zullen komen en mijn huis nooit meer zullen bereiken. Het is nutteloos om te blijven verlangen naar iets wat ik niet (meer) kan aanraken. Met Bijbelse woorden zegt hij eigenlijk; “blijf niet staren op wat vroeger was, sta niet stil in het verleden………..”

Zoeken naar iets dat verloren is gegaan. In welke vorm dan ook, zijn wij mensen daar niet vaker naar op zoek? Naar iets wat er niet meer is? Hoe vaak betrappen we ons er niet op, dat we op zoek zijn naar iets van onze jeugd, naar een verloren gegane liefde of naar een vorm van godsdienst en geloven, dat gepasseerd is. Hoe vaak en hoe graag willen wij mensen niet vasthouden aan iets dat wat van vroeger was. Omdat het houvast biedt? Omdat het zekerheid geeft? Of is het een vals sentiment van vroeger?

De dichter kijkt naar zichzelf door de ramen van zijn eigen ogen. Windows of my eyes! De ogen zijn de spiegel van de ziel. Zij weerspiegelen de gemoedstoestand waarin een mens zich kan bevinden. Ogen laten zien of we blij zijn of verdrietig of vermoeid. Ogen tonen ons karakter; fel, berustend of meegaand. Het is niet voor niets, dat wij er vaak een hekel aan hebben, het als erg onbeleefd ervaren, als iemand die tegenover ons staat, zijn zonnebril op houdt. Want we kunnen iemands ogen niet zien. We kunnen niet taxeren wie we tegenover ons hebben, wat de ogen van de ander ons vertellen over zijn karakter of gemoedstoestand. Andermans ogen niet kunnen zien maakt ons onzeker, een gevoel van onveiligheid kan ons overvallen. Wat heeft die ander te verbergen? We moeten de ander kunnen zien, om te weten wie deze is.

Waarom wordt er in Bijbel vaak zo sterk de nadruk wordt gelegd op het “zien”? Waarom gaat het er zo vaak over dat ogen geopend moeten worden. Dat mensen genezen moeten worden van blindheid. Symbolisch staat dat beeld in de Bijbel voor; niet wegkijken, je blik niet afwenden. Kunnen zien is, onder meer, jezelf kennen. Wanneer mijn ogen gesloten zijn, kan ik niets zien van de wereld om mij heen. Kan ik de ander niet in de ogen kijken, kan ik geen oog-getuige zijn. Want als we zien dan worden wij oog-getuige! Van de wereld om ons heen, maar ook van onszelf. Het geluk en het falen. De vreugde en het verdriet. De liefde en de haat. Wanneer mijn ogen gesloten zijn voor mezelf, voor mijn eigen falen, mijn eigen verleden, voor de kleine dingen van geluk om mij heen, kan ik geen oog-getuige zijn van mezelf. Dan ben ik gesloten voor mezelf. En als ik gesloten ben voor mezelf, hoe kan ik dan mezelf vinden, mezelf ontdekken? Hoe kan ik dan mezelf en mijn liefde aan de ander geven?

De “ramen van mijn ogen” , ze staan open en zijn op zoek. Op zoek naar het geluk? Zoals de slaven vroeger op zoek waren naar woorden om iets van dat vergane geluk terug te vinden? Dat hemels verleden? Het zit niet in grote dingen, meeslepend en revolutionair, want daar is de dichter van vanmorgen ook niet naar op zoek. Mezelf vinden, mezelf zien is mezelf kennen in het kleine geluk. Niet in het verleden, maar vandaag, hier en nu.

Zien is kennen, heet het gedicht van Marjoleine de Vos, waarmee ik afsluit:

Het geluk zit bij zonsopgang in de trein
en zingt Vivaldi met de kievit
fiets langs de waddendijk; een feilloos oog
voor wollen schapen, ruime lucht van Hollands blauw.
Looft keuken en kamer, leest de krant.
Loopt de straat door om de herfst te prijzen,
verliefd op het gouden licht van september
lacht het naar oude dames babies leren jacks.
Het geluk bezit goed ingelopen wandelschoenen.
’s Avonds zit het aan tafel met vrienden
het drinkt oude jenever, volgt een talencursus
doucht elke ochtend warm, zwemt ’s zomers
spetterend door de lauwe zee. Het geluk schrijft
lange brieven, eet een haring, heeft een moeder
viert Sinterklaas.

Het geluk ligt graag in bed. Het is getrouwd
heeft tot zijn verdriet geen kinderen maar
het geluk houdt zich groot. (Marjoleine de Vos)

liturgie grolloo 21 febr 2016